Recensies

  • Begane grond

    Hans Tentije
    Begane grond

    Hans Tentije is al lange tijd een constante factor in de Nederlandse poëzie, sinds zijn debuut Alles is er in 1975, dus meer dan 40 jaar. Zijn vroegere werk was bij vlagen wat elliptischer, ‘Favereyaanser’, maar zijn werk heeft zich altijd gekenmerkt door een verhalende stijl. Tentijes gedichten lijken verhaaltjes die geleidelijk worden opgetrokken aan de hand van impressies. Er wordt een situatie opgebouwd waarin veel plaats is voor beschrijving, en waarin een ontwikkeling plaatsvindt – in gebeurtenissen, maar vooral in het hoofd van een beschouwende ik.

    Een veelvuldig terugkerend thema in het werk van Tentije, en zeker ook in Begane grond, is de verstrengeling van heden en verleden. Heden en verleden roepen elkaar voortdurend op: ‘doet het je zo nu en dan/ aan vroegere kamers denken, aan geuren/ die er hingen, de dingen/ omgaven die er voorvielen’. Er wordt teruggedacht, maar niet op een clichéweemoedige manier:

    intussen belagen andere winden de horizon, rukken
    aan de tuien van het verleen en weer voel ik
    
hoe plakkerig het asfalt werd [...]




    Misschien benoemt hij in het gedicht ‘Aan de overkant’ de reden voor deze aandacht voor het verleden: ‘net voordat het vergeten toe zou kunnen slaan’. Het geheugen wordt immers als iets fragiels beschreven: ‘Poreus als het geheugen is/ mag het een wonder heten dat het me af en toe/ nauwelijks teleurstelt –’ Mogelijk wordt Tentije gedreven door het verlangen de tijd stil te kunnen zetten, het voorbijgaande te kunnen behouden, zoals wordt beschreven in het gedicht ‘Ooit’:

    wat olmen misschien, je zou willen dat hun jaarringen
    daadwerkelijk slonken om terug

    te groeien naar een pril, priller begin


    In een recensie van de bundel Om en nabij vergelijkt Piet Gerbrandy Tentije om deze reden, het teruggaan naar het verleden, met Proust: ‘Moeten we niet concluderen dat Tentije de Proust van de Nederlandse poëzie is?’ Persoonlijk vind ik dat de emotionele impact van Proust – terwijl die toch proza schrijft – wel een stuk groter is. Bij Tentije vóel ik het minder, de zuigkracht van het verleden, die bij Proust juist zo pregnant is. Wat Tentije doet, komt meer over als te boek stellen, weergeven, het tekenen van iets.

    Dat ‘tekenen’ doet de dichter in deze bundel ook haast letterlijk. Tentijes werk heeft altijd een sterke verbinding gehad met beeldende kunst. In Begane grond neemt die onder andere de vorm aan van de minutieuze beschrijving van stillevens die niet (‘of nauwelijks’) op bestaande werken zijn gebaseerd. Mooi is te zien dat de taal haast niet onderdoet voor de kwast (misschien ook omdat de taal de stillevens oproept die we in ons geheugen hebben opgeslagen):


    half afgeschilderde citroenen, het viltige wit van het vruchtvlees beschermt
    naast het weggelegde mes het benen heft, het zilte

    kwijl van opengewrikte, lillende oesters, de scherpe vouwen
en
    patronen in het pas gesteven damast


    Het beeldend beschrijven is sowieso een sterk punt van Tentije. Zoals de arm van een rivier die de beeldtaal van een lichaam binnenhaalt: ‘de smalle, haast uit de kom geschoten zijarm van de rivier liep er vlak langs’ of een bondig opgeroepen straatbeeld: ‘Een bliksemflits die je de naglans van gedroomde steden toont’. In de gedichten hangt wel vaker een weemoedige sfeer van vergane glorie, aandacht voor het niet-glamoureuze. Misschien is dat wel het meest onderscheidende kenmerk van zijn werk. Daar ‘voel’ ik het wél:

    Als ’s nachts de straatlantaarns de gesloten gordijnen
    vuilgeel afbiezen en het vage schijnsel
    
fijnkorrelige schemer wordt [...]
    UitgeverHarmonie
    Jaartal2018
    RecensentKiki Coumans
    Editie2019-1