Recensies

  • Bezweringen

    Willem van Toorn
    Bezweringen

    Daarnette

    Romans (De rivier), verhalen (De geur van gedroogde appels), essays (Leesbaar landschap) en niet te vergeten: heel veel schitterende vertalingen, van onder anderen Updike, Zweig en Kafka. Vooral Kafka, lees bijvoorbeeld zijn vertalingen van het korte werk in De gedaanteverwisseling en andere verhalen, dat hoeft pas over zeer lange tijd weer eens nagekeken te worden op veroudering. Maar Willem van Toorn is natuurlijk ook dichter. Hij is alweer bijna tachtig, maar heeft nog altijd een gestage productie en onlangs verscheen zijn nieuwe bundel, Bezweringen.

    Een gunstige titel, die je gerust op een groot deel van Van Toorns oeuvre kunt plakken. Want zoals in veel van zijn andere werk speelt ook in deze bundel de dood een grote rol en worden er vrienden en familieleden bezongen van wie afscheid is genomen, om voor altijd een plek te vinden in het hoofd van de dichter, en daarmee in dat van ons. Een gedicht als het fraaie ‘Amstelpark met gezelschap’ laat zich dan ook programmatisch lezen:

    Park is een mooie gedachte –
    alsof we werkelijk iets
    van de dood begrijpen als we lijnen
    trekken waarbinnen het grote verdwijnen
    draaglijk lijkt.

    Het park als gedomesticeerd neefje van ‘onze zachte vijand natuur’, zoals Van Toorn even later schrijft. Het park als plek die we letterlijk hebben geschapen in een poging grip te krijgen op dat wat ons ons hele leven de baas zal zijn. Er zijn miniatuurversies van doolhoven ‘met hagen tot heuphoogte’ en de vijver bestaat uit ‘gerustgesteld’ water; de romantische gedachte wil dat het water de mens kalmeert in getroebleerde tijden, maar in deze Madurodamversie van de natuur doen we alsof het andersom is.

    De dichter vat moed en zet de zaken nog verder naar zijn hand. Hij roept zijn overleden dierbaren op, zodat het park een persoonlijke versie wordt van dat mythische eiland waarop volgens de legende Lennon, Elvis, Hendrix en Morrison samen zitten te pokeren tot het einde der tijden, of in de beschaafdere versie van Van Toorn: ‘dit déjeuner sur l’herbe’. Het is fraai hoe hij zijn malligheid letterlijk onderschrijft met zijn woordkeus: hij schildert ze in met ‘mijn kinderhand van taal’, terwijl hij heus weet dat ze ‘zo dood als een pier’ zijn, maar toch kwetteren ze ‘als een vrolijke schoolreis’. Van Toorn is een uiterst precies dichter, wat gewoon betekent dat hij – net als in zijn vertalingen – exact het juiste woord zoekt voor de juiste scène, het juiste beeld.

    En daar zitten ze dan, in die kunstmatige wereld waarin zojuist een onmogelijke idylle (is dat dubbelop?) is geschapen.

    Park. Nu gaat niets meer voorbij.
    Het water staat stil, een wolk
    aan zijn onzichtbare draad
    drijft niet verder. De voet
    van die daarnette wandelaar
    hangt bewegingloos boven het gras,
    precies naast een vrolijke roos.
    Landschap waar ons leven in was –
    nu onder een stolp tijdloos.

    Techniek die volledig in dienst staat van de betekenis. Assonantie, beeldrijm, enjambement, alles werkt samen om de stilstand, het bezworen moment in taal vast te leggen. Dit zijn geen beschrijvingen meer, maar de beelden zelf. Deze uitgebalanceerde, soepele regels worden ‘verstoord’ door het naar de kindertaal verwijzende woord ‘daarnette’; waardoor de ontregeling van de haast smetteloze strofe juist weer een bewijs vormt voor Van Toorns beheersing van zijn vak.

    Na de gedichten over dode vrienden en familieleden volgen twee fraaie, korte afdelingen, zoals ‘Een winter in Le Petit Jouhet’ waarin Van Toorns andere grote thema aan bod komt: het landschap, maar dan de ruigere variant. Een landschap waarin sporen worden gezocht naar het verleden – het grote verleden van de Eerste Wereldoorlog, maar ook een ‘uiterst klein voorbijgaan’; de alledaagse handelingen waarvan afgebroken twijgjes en ‘voetafdrukken verscholen onder gras’ het bewijs zijn. Het ligt er allemaal, maar wie ziet het? En wat betekent het?

    Het is alsof de dichter ondanks de bereikte jaren van wijsheid nog steeds niet kan begrijpen dat de dingen zomaar voorbij kunnen gaan – dit staat er sentimenteler dan de bedoeling is, want als er iets niet van toepassing is op deze poëzie, dan is het melodrama. Het gaat eerder om een niet aflatende nieuwsgierigheid naar de kracht van de tijd, de werking van de herinnering, de onverbiddelijkheid van de natuur. Van Toorn zet er zijn poëzie tegenover, een constructie van taal, waarin dat wat voorbij is nog een keer gestalte kan krijgen. Maar waarin ook levende vakbroeders bezongen kunnen worden, zoals in het aandoenlijke ‘Remco’, waarin de dichter als een schuchtere schooljongen zijn genegenheid voor de beroemde buurtgenoot wil uitspreken – voordat het wellicht te laat is. Het lukt hem niet, hij krijgt het er niet uit, en ook op papier vervalt hij in gestamel. Zijn fraaie beelden en mooie techniek laten hem in de steek, en juist dat maakt het gedicht zo ontroerend. Want ook dit is een bezwering, tegen beter weten in.

    UitgeverQuerido
    Jaartal2013
    RecensentJasper Henderson
    Editie2013-3