Recensies

  • We zijn al lang onderweg

    Jasper Mikkers
    We zijn al lang onderweg

    De bard als action hero figure

    Als er een action hero figure voor dichters bestaat, dan is dat zonder twijfel de bard. Denk maar aan Bernlef, hij vernoemde zich naar zo’n troubadour. En geef een dichter eens ongelijk: het reizen, de kampvuren, verliefde boerinnen en jonkvrouwen, het flirten met de muzen en het kaarten met Pan en Orpheus in het bos... De bard is een rolmodel.

    Voor Jasper Mikkers geldt dit zonder twijfel. Hij is een bard, ook al ontbreekt het typische epitheton ornans, dat het memoriseren van de van oudsher oraal overgebrachte overleveringen vergemakkelijkt. In Mikkers‘ werk wordt volop rondgetrokken. Die trektochten zijn natuurlijk geen vakanties, en zou je in een hypothetisch geval aan de verteller van de gedichten vragen naar zijn fernsucht, dan zal hij ongetwijfeld antwoorden dat hij op pad is, altijd al.

    We zijn al lang onderweg wekt die indruk: alles draait om reizen. Zo begin je in Baruun-Urt (Mongolië), een bladzijde later zit je in ‘Een kroeg in Pireaus’ [sic] (vlakbij Athene) en bij het derde vers wordt een ik-figuur in een woestijn aangesproken door een Toeareg. Zelfs als de verteller een keer thuis is en door de openstaande balkondeur naar een oud wijnhuis kijkt, terwijl een pauw klagelijke gutturalen uitstoot, droomt hij zich onderweg. Misschien zag hij wel dolfijnen voor de boeg op de Rio Negro of was hij in Gao, ‘starend van een brug boven de Niger’.

    Hoewel je her en der wel eens een woord leest als ‘pisbak’ of ‘fietsen’, lijkt de hinderlijke tegenwoordige tijd zoveel mogelijk opzij te zijn geschoven om plaats te maken voor ‘authentiek bestaan’. Er wordt gehunkerd naar een uiteindelijke waarheid, naar de weg die men moet gaan. In het openingsgedicht te Baruun-Urt bijvoorbeeld, vraagt een moeder in een sneeuwbestoven tent waarom haar zoon wil vertrekken. ‘Een hart dat moeilijk/ rust vindt heb ik hem gegeven’ verzucht ze. ‘Houd hem niet tegen’ zegt een ander, ‘ieder gaat waarheen hij gaan moet’.

    Dat zalvende, alles-gaat-zoals-het-moet-gaan antwoord is intens-romantisch en even mythisch als het wegtrekken van de elfen in Lord of the Rings. In tegenstelling tot Tolkiens boek is het taalgebruik bij Mikkers met de inversie in moeders lamentatie nogal oubollig. Of kijk naar de zinsconstructie die wordt geuit in de kroeg te Piraeus: ‘Pandora, ooit de schoonste/ van de Griekse vrouwen, kom, doe niet zo rottig, ook/ al ben ik dan berooid, kom hier en laat me één keer voelen’. Er staat nog net geen ‘der’, maar verder komt de uitspraak over als een theaterzin uit de jaren ’50.

    Doordat je vaak en passant goden, helden en andere typische (action hero) figuren tegenkomt, die veelal na afloop van hun avonturen in een wat historisch aandoende omgeving stoelen aanschuiven (Pandora), grote vragen stellen en zweverige antwoorden geven, krijgt We zijn al lang onderweg iets onschuldigs. Het lijkt op het achtergelaten speelgoed van een jongen waarin je zijn belevingswereld ziet.

    Jongens spelen met concepten. Ik liet vroeger de cowboys (altijd
    lonesome en goed) tegen indianen (dragen altijd veren en slecht) vechten. Ook Mikkers’ werk is conceptueel. Neem dat gedicht van de Toeareg, waarvan de titel ‘Roeiboot van ruig haar’ als variatie op ‘het schip van de woestijn’ (de kameel) verwijst naar de dromedaris: ‘Zover je kijken kunt zwerven er bleke beenderen/ door het witte zand’. Werkelijk, wat moeten lezers zich voorstellen, een grote openluchtbegraafplaats met een straal van, zeg, vijf kilometer op stereotiep woestijnzand? Wordt de lezer helemaal geen handvat voor werkelijkheid geboden? Jawel, houd je vast. In ‘Kijkend op de kathedraal’ lees je het: ‘Het onbegre-

    pene is onze leidraad’. Go, go, mister minstrel!

    UitgeverNieuw Amsterdam
    Jaartal2013
    RecensentMerijn Schipper
    Editie2013-3