Recensies

  • Mens dier ding

    Alfred Schaffer
    Mens dier ding

    Ik ben een projectiescherm

    Alfred Schaffer is terug. Niet in Nederland, dat hij in 2011 verliet voor Zuid-Afrika, maar in de Nederlandse poëzie. Met Mens dier ding heeft hij, zes jaar na zijn laatste werk, een lijvige en overtuigende bundel geschreven.

    Hier werd de eerste mens gevonden, zwart en stomend
    en verbijsterd lag hij daar opeens, volslagen meteoriet.
    Wie hier ter wereld kwam vond er zijn graf al kant-en-klaar gegraven.
    De bodem was profijtelijk, soms vond de mens
    een dier dat dood lag in een veld en sprak ermee.

    Een dergelijke terugkeer heeft wel eens ver weg geleken. Vanaf 2000 manifesteerde Schaffer zich als een fel en onverzettelijk dichter die schreef vanuit, zoals hij zelf stelde: ‘Onrust. Angst. Achterdocht. Nieuwsgierigheid.’ Hij publiceerde in hoog tempo acht bundels die diepe indruk maakten, met als hoogtepunt Schuim, uit 2006. Hij won er een flink aantal prijzen mee. Maar met zijn laatste bundel Kooi leek Schaffer in een claustrofobische klem te zijn gekomen. Hijzelf achtte het niet waarschijnlijk dat hij daarna nog poëzie zou schrijven.

    Het lijkt alsof Zuid-Afrika Schaffer als dichter bevrijd heeft. De beklemming van vele, dicht op elkaar gedrongen stemmen die elkaar in zijn vorige bundels maar nauwelijks de adem leken te gunnen, het dwingende en vaak ambtelijke vertoog, hebben plaats gemaakt voor ruimte en speelsheid. De poëzie is daar overigens niet minder wrang en agressief van geworden.

    In Mens dier ding staan twee soorten gedichten. De eerste soort gaat over Sjaka Zoeloe, een van de meest bepalende en controversiële figuren uit de Zuid-Afrikaanse geschiedenis. Aan het begin van de negentiende eeuw verenigde Sjaka Zoeloe de Zoeloes in zijn koninkrijk en vormde hen tot een onweerstaanbaar leger dat dood en vernietiging verspreidde door Zuidelijk Afrika. De korte vechtspeer die hij uitvond en noemde naar het geluid waarmee die uit het vlees werd getrokken (‘iklwa’) komt vaak voor in het boek. Maar Sjaka Zoeloe is hier niet de historische Sjaka Zoeloe, zoals Schaffer al in een van de eerste gedichten (‘Harde feiten rondom Sjaka dat wil zeggen harde feiten rondom mij’) duidelijk maakt. ‘Eerste feit. Op van alles en nog wat ben ik gebaseerd/ niet op de waarheid – ja menneke, dat zou je wel willen hè/ zei mijn moeder altijd.’ ‘Ik ben een projectiescherm, een zwarte krijger/ met een donkerbruine huid en doorschijnende ziel./ Op mijn Facebookprofielfoto sta ik afgebeeld als Napoleon/ mijn linkervoet rust op het hoofd van een onderdaan.’ Het is een duizelingwekkend genoegen te zien hoe bruut Schaffer zich Sjaka toeëigent, hoe hij hem van ongrijpbaar historisch figuur tot medemens en tijdgenoot maakt. Dat doet hij door allerlei vormen heen, vanuit verschillende perspectieven, door middel van (ook in deze bundel weer) allerlei stemmen. Schaffer laat zijn verbeelding in al zijn veelzijdigheid op Sjaka los, in een live-feed met twitterinterventies over een rechtszaak, in verslagen van een televisiequiz en enkele interviews. Sjaka neemt aspecten aan van verschillende machthebbers: bij zijn kroning wordt een koningslied gecomponeerd en geruchten over ‘zogenaamde seksfeestjes’ worden ten stelligste ontkend.

    Het is misschien voor de hand liggend te veronderstellen dat Schaffer via Sjaka Zoeloe probeert het land waar hij woont en werkt te duiden. In de gedichten blijkt van een dergelijke poging niets expliciet. Er zijn geen verwijzingen naar een groter verband. De toeëigening op zich lijkt het belangrijkst.

    De tweede soort gedichten wisselt de Sjaka-gedichten vrijwel regelmatig af in Mens dier ding. Deze gedichten zijn meestal korter en compacter. Ze heten allemaal ‘dag(droom)’, met daarachter een nummer, van 12.868 naar omlaag met willekeurige sprongen. In deze gedichten is duidelijk altijd één stem aan het woord, een naar binnen gekeerde stem die zijn eigen indrukken beschrijft. De gedichten zijn droomachtig van sfeer en gedragen van toon, veel van hun zinnen zijn jambisch. Er schuilt vaak een grote dreiging in.

    Als ik niet oppas doe ik heel voorzichtig één stap achteruit
    en nog een stap en stap voor stap
    stap ik bij mij vandaan. Pas als ik ver genoeg ben
    en mij niet meer hoor draai ik me om
    begin te rennen als een gek.
    Wat is het stil vandaag.
    Zo stil als een bos in de winter.
    Zo stil als een vogel, hoog in de lucht.
    Zo stil als een walvis die slaapt.

    Deze gedichten zouden goed de dromen of de dagen van Sjaka kunnen zijn. De ik-persoon heeft zeker dingen met Sjaka gemeen. Maar de overeenkomsten zijn niet nadrukkelijk. Niets in deze gedichten is eenduidig.

    Aanvankelijk was ik vooral gegrepen door de brille, de drift en de doorgaande lijn van de Sjaka-gedichten. Pas bij tweede lezing begon ik de heel eigen bekoring van de dag(drom)en te voelen.

    Afgaand op Mens dier ding zal Alfred Schaffer voorlopig niet ophouden de Nederlandse poëzie te verrijken.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2014
    RecensentHan van der Vegt
    Editie2014-1