Recensies

  • Voor alles

    Joost Zwagerman
    Voor alles

    Zwagermans midlife-introspectie

    Joost Zwagerman is altijd een persoonlijke dichter geweest. Zijn teksten staan al sinds 1987 in de eerste persoon en gaan vrijwel allemaal over de problemen van hoogopgeleide mannen die even oud zijn als hijzelf. Het feit dat hij vijftig is geworden in de aanloop naar Voor alles lijkt dan ook het belangrijkste gegeven te zijn voor die bundel, of in ieder geval om te begrijpen waarom het zo’n spectaculair saaie bundel is geworden. Het ergste wat een angry young man kan overkomen is immers dat hij succesvol en tevreden wordt. Dan heeft hij niets meer om over te schrijven.

    Voor alles bestaat uit twee delen: Inwaarts en Voor en na het meesterwerk. Een andere vraag is wat die in dezelfde kaft doen. Inwaarts staat grotendeels op zichzelf, terwijl Meesterwerk bestaat uit de schilderijengedichten waarvan in 2010 ook al een hele buts verscheen.

    Enfin: Inwaarts, een collectie van elf gedichten over inwaartse bewegingen. Iemand rijdt de provincie in, iemand krijgt een kijkoperatie, iemand loopt een oud huis binnen, er wordt bier in kelen gegoten. Het is een beetje flauw en erg melancholisch, allemaal. Al het hout is vermolmd, buiken zijn flabberig, en men drinkt zuchtend maar hoopvol. Het idee is volgens mij dat Zwagerman hier een soort midlife-introspectie probeert te ondernemen, maar hij schrijft al deze gedichten met dezelfde enorme stem die hij gebruikte voor Roeshoofd Hemelt (2005), die met de herfstige onderwerpen doet wat een bulldozer doet met een bloemperk.

    In alle eerlijkheid levert die uitbundigheid een paar fantastische regels op. Op het feestje van ‘Na middernacht’ staan ’Passanten in de mal van oude vrienden/ heffen pinda’s, flesjes, spelen schmierend dj’. Maar dit soort scherpheid is de uitzondering, en in plaats van precies het goede woord te zoeken lijkt Zwagerman vaak eerder zo veel mogelijk bijvoeglijke naamwoorden in een zin te willen denderen. Uit datzelfde gedicht: ‘Vlak bij een heel ver woord als tienerfuif/ valt men elkaar roezend in volvette armen/ er ontstaat een flauw begoocheld kluwen,/ het doodse hier en nu is losjes in de heupen/ en het kluwen imiteert een voedselberg’. Dit zijn vijf regels met zeven bijvoeglijke naamwoorden, en ze hadden allemaal weg gekund. Op een paar strakke stukken na is dat de indruk van Inwaarts: overingewikkelde beschrijvingen van hele simpele dingen, vol verwijzingen en lyriek, en signifying nothing.

    En dan is er nog Voor en na het meesterwerk. Deze bestaat uit zestien korte gedichtjes over kunstwerken, vooral schilderijen – echte kunst hangt immers in musea. Zwagerman beschrijft deze niet, nee, hij ‘stapt in de schilderijen’ (“als een ver familielid van Alice in Wonderland”, gorgelt de achterflap) en schrijft van daaruit. Dat is het idee, tenminste. In de praktijk is deze hele afdeling vooral een serie complimentjes aan M., het mysterieuze vrouwmens dat Zwagerman naast alle kunstwerken zet om te bewijzen hoe mooi ze wel niet is. Kunst als veredeld behang voor een fijne date.

    Wat het allemaal nog suffer maakt, zijn de kunstenaars die Zwagerman heeft gekozen. Hij heeft geen slechte smaak, maar hij heeft de saaist mogelijke versie van goede smaak, en dat is eigenlijk nog erger. Al zijn meesters zijn van die uitgekauwde Volkskrant Magazine-postmodernisten (Damien Hirst, Barnett Newman, Marlene Dumas), waar hij alsnog niks over te zeggen heeft. Hij vergelijkt de schilderijen vooral met dingen die hij om zich heen ziet – dit is vermoedelijk het ‘voor’ en ‘na’ gedeelte, bij gebrek aan een ‘tijdens’. Dus als hij naar Willem de Kooning is wezen kijken is het landschap ineens ‘abstract expressionistisch’. Het gepruttel van zijn kat ‘overtreft’ die van Jean Tinguelys installaties – nevermind dat die helemaal niet om geluid gaan. Ik kan nog even doorgaan, maar wat het allemaal netjes samenvat is dat Zwagerman voor de enige Aziaat in de bundel (Takashi Murakami) een motherfucking haiku schrijft.

    Het is negen jaar geleden dat Zwagermans krankzinnige conceptbundel Roeshoofd Hemelt verscheen, waarin lange, woorderige rants over supermarkten werden afgewisseld met sonnetachtige stukjes over een man in een mentale inrichting. Het was een leipe insteek, misschien, maar Voor alles heeft niet eens een insteek. Het voelt meer als een stapeltje gedichten die snel bij elkaar zijn geveegd om een deadline te halen.

    UitgeverArbeiderspers
    Jaartal2014
    RecensentMax Urai
    Editie2015-1