Recensies

  • Nog een grap

    Nachoem M. Wijnberg
    Nog een grap

    Ons wordt een poets gebakken

    Heidegger wist het altijd mooi te zeggen. ‘De taal is het huis van het zijn,’ vond hij. En waar hij taal zei, bedoelde hij eigenlijk poëzie. Want poëzie zet volgens hem de taal op scherp en verraadt hoe wij denken en voelen, hopen en bang zijn. Deze visie biedt een mooi afzetpunt om na te gaan welke werkelijkheid een bepaalde poëzie in scène zet en wat ze verraadt over onze toestand.

    Als we deze insteek loslaten op de nieuwe bundel van Nachoem M. Wijnberg, buitelt direct een aantal vragen over ons heen. Om te beginnen vallen de titel en de dikte van de bundel op. Nog een grap staat plagerig in fluorescerend roze letters op het omslag, dat 301 gedichten bij elkaar houdt. Waar de meeste dichters al blij zijn als ze in dertig jaar een dergelijke hoeveelheid neerkrabbelen, ziet Wijnberg er geen been in om zo’n ‘verzameld werk’ in twee jaar tijd af te scheiden. Het is echter de vraag of deze eruptie aan poëzie behalve bewondering of jaloezie, ook betekenis wekt.

    In ieder geval sorteert deze overkill wel een bepaald effect. Wie zich overgeeft aan deze gedichten en de bundel niet terzijde legt bij de zoveelste ‘grap’ die maar niet leuk wil worden, wordt langzaam de incongruente logica van Wijnberg ingetrokken. Alsof het de normaalste zaak van de wereld is, worden de woorden gedicht na gedicht zo geordend dat er een kleine verschuiving en een lichte strubbeling optreedt in de gebruikelijke samenhang van feiten en gebeurtenissen. Het is alsof je in een ets van Escher terecht gekomen bent. Zoals de figuurtjes in zijn etsen niet uit de mallemolen van hun rondgang kunnen stappen, zo kun je ook bij Wijnberg niet ontsnappen uit de groef van de grammofoonplaat die hij als een hersenspoeling eindeloos in je hoofd afspeelt.

    Hoewel Wijnberg je dus inspint in zijn steeds hernieuwde poging om het perfecte spiegelpaleis op te trekken, worden zijn gedichten niet voorspelbaar. Eerder houden ze je in spanning, zoals wanneer je door hebt dat iemand je een poets wil bakken, maar je niet weet waar en wanneer dat zal gebeuren. Een voorbeeld:

    Nacht, regen

    Je gaat niet naar buiten,
    want dan zou de make-up
    van je gezicht spoelen,
    en het is niet veel,
    een beetje over je neus en wangen.

    Terwijl in de eerste drie regels een reden wordt gegeven om iets niet te doen, lijkt precies dat in de laatste twee regels al gebeurd te zijn. Alsof het feit dat iets kan plaatsvinden genoeg is voor dat feit om al plaatsgevonden te hebben. De relatie van oorzaak en gevolg lijkt hier te worden ontregeld, doordat diezelfde relatie op het vlak van de chronologie niet gerespecteerd lijkt te worden. Ik zeg hier twee keer ‘lijkt’, omdat dit Favereyaanse spel met logica en tijd even subtiel als ondoorzichtig wordt gespeeld. Dat is de reden waarom je heel moeilijk kunt zeggen: ‘hé, hier klopt het niet.’ In het gedicht hierboven is die subtiliteit samengebald in het woordje ‘en’. Omdat het voegwoord ‘en’ niet direct een logische relatie uitdrukt, maar dingen vrij losjes aan elkaar verbindt, biedt dat woordje de mogelijkheid om de logisch incongruente operatie tussen de toekomende tijd uit de eerste drie regels en de directe rede uit de laatste twee regels recht te breien. Het brein doet datzelfde als het geconfronteerd wordt met een ets van de al genoemde Escher of met een schilderij van Magritte. Wat is afgebeeld klopt niet, maar kan wel. Of andersom. Het gevolg: kortsluiting.

    Terug naar de titel, want wat is nu de grap? Heel simpel. De grap is dat het niet klopt. De grap is dat de taal de werkelijkheid op nogal gebrekkige en onsamenhangende wijze voortbrengt. De grap is dat de werkelijkheid en onze ervaring te machtig zijn voor de taal, terwijl we diezelfde taal hard nodig hebben om die werkelijkheid te zien en die ervaring te hebben.

    Als poëzie uitdrukt hoe het met ons gesteld is, dan moeten we onze toestand naar aanleiding van de poëzie van Wijnberg zien als een grap. Deze grap doet wat wrang aan en er zit wat leedvermaak in verwerkt, omdat hij drijft op de constatering dat we noodzakelijkerwijs voortdurend miskleunen. En omdat we voortdurend miskleunen zijn we geneigd om het nog eens te proberen. En ja hoor, daar glijden we weer uit en ontstaat er nog een grap.

    Terwijl hij ons dit ondraaglijk tekortschieten inpepert, loodst Wijnberg ons tegelijkertijd door de kieren van de taal naar een dieper liggend terrein, zeg maar naar het zijn van Heidegger, waarin het onderscheid tussen oorzaak en gevolg, vroeger en later, hier en daar niet meer zo gemakkelijk te maken is. Hij doet dat door ons onvermoeibaar aan te spreken en onze vertrouwde dagelijksheid te voegen naar deze ondoorgrondelijke dimensie van het bestaan. Dat maakt zijn poëzie even teder als verontrustend.

    UitgeverAtlas Contact
    Jaartal2013
    RecensentHenk van der Waal
    Editie2014-1