Recensies

  • Waar ik nooit goed in was steeds slechter kunnen

    Anton Korteweg
    Waar ik nooit goed in was steeds slechter kunnen

    Je snapt het wel

    Anton Korteweg is in Waar ik nooit goed in was steeds slechter kunnen de Martin Bril onder de dichters. Zet hem op een willekeurige kruising in Neer, Eersel of Eindhoven, en hij schrijft je er een vers over. Net als bij Brils stukken zijn de gedichten anekdotisch en licht van aard. Dat laat onverlet dat Korteweg de eindigheid en de mens met zijn beperkingen soms knap weergeeft. ‘Wat worden we toch stakkerig wijs’, opent bijvoorbeeld een gedicht ter gelegenheid van Leonard Nolens’ 65ste verjaardag.

    Observatie is meestal het uitgangspunt en commentaar op het geobserveerde blijft zeldzaam weinig achterwege. In het gedicht ‘Zuidbuurt’ bijvoorbeeld, ziet een ik-persoon een man vergenoegd aan de wandel met zijn vrouw over het Lange Kerkpad richting Weipoort. Het is een stereotype Easy Jetpassagier: gouden kettinkje, roze overhemd, ‘Tenerife-bruin’, the works. Dan schrijft Korteweg:

    De illusie in stand houden dat
    het leven wat meer is dan je
    op de been proberen te houden,
    vereist, naast dommige hoop,
    vitale smakeloosheid.

    Helder. Korteweg staat hier ver boven en je ziet hem zijn mondhoeken naar beneden trekken terwijl hij vol voldoening naar zijn punt toewerkt. Je kunt ervan houden, maar het lastige van meningen als in de laatste strofe is dat ze het zicht ontnemen op het menselijke. De verteller van ‘Zuidbuurt’ is pedant, het koppel: paupers – even voelde je de zon schijnen in het Leidse ommeland, maar in die laatste strofe blijken de personages daadwerkelijk van bordkarton.

    De bundel bevat wel meer gedichten waarin typetjes voorkomen die te kakken worden gezet, wat het verbinding maken met het ten tonele gevoerde dwarszit. Geroerd word je niet. Niet raken is gemis.

    UitgeverMeulenhoff Boekerij B.V.
    Jaartal2013
    RecensentMerijn Schipper
    Editie2014-1