Recensies

  • Vlinderslag. Een beurtzang

    Piet Gerbrandy
    Vlinderslag. Een beurtzang

    Verteller en lyricus verzoend

    Vlinderslag, de jongste bundel van dichter en criticus Piet Gerbrandy, is een werk in drie stemmen. Aan het woord zijn: een bedachtzame verteller, die zich vrij helder en precies uitdrukt; een lyricus, die de liefde en het lichaam bezingt; en een commentator, die zich beperkt tot droge, relativerende opmerkingen, veelal algemene waarheden en gemeenplaatsen.

    De teksten van de verteller staan telkens op de linkerpagina’s afgedrukt. Ze kunnen beschouwd worden als prozagedichten, hebben een sterk narratief karakter. Het gaat hier telkens om een rechtlijnig en chronologisch verhaal, om een plot. De vertelstem is archaïsch en vrij formeel van aard, nuchter en neutraal.

    De teksten behorend bij de lyricus bevinden zich op de rechterpagina’s. Deze zijn bevlogen en uitbundig van toon. In deze lyrische gedichten maakt Gerbrandy intensief gebruik van de typisch poëtische middelen: allereerst van ritme, dat veelal dwingend en stuwend is; en van rijm – deze gedichten zijn rijk aan klankverwantschappen, met name alliteratie en assonantie. Daarbij legt de dichter een voorliefde voor neologismen aan den dag:

    Hangkatten proppen streelpoezen
    aan hazelaars wilgen en elzen

    spotten met vorst verleiden
    tot opstanding mezen en oproer.

    In treden grijpt kloptor zijn klimkans
    zegt doodsmakken aan in uw kelder

    die vol staat met grijze conserven
    zelfs voor schelste klaroenen onwekbaar.

    Waar ‘de verteller’ de chronologie aanhoudt, bedient ‘de lyricus’ zich veelal van nevenschikking van de verschillende elementen en regels, van het stijlmiddel van het parallellisme. Niet voor niets, want de ‘zuivere lyriek’ staat min of meer buiten de wereldse tijd(sbeleving) – en haar samenhang is niet die van ‘het verhaal’ en ‘de logica’, maar is fysieker, associatiever, ritmischer, klankmatiger en grilliger.

    Vertoont de verteller hier en daar ‘retorische’ trekken, op basis van argumenten en essayistische elementen, de lyricus is ‘retorisch’ op meer muzikale wijze: verbluffing, vervoering, effectbejag, bezwering.

    De commentaarstem, tot slot, drukt zich uit in oneliners, deels platitudes. Hij levert voetnoten – ook letterlijk: zijn opmerkingen in de marge bevinden zich op de bodem van de bladzijden en zijn gecursiveerd weergegeven.

    Waar ‘de lyricus’ ritmisch en rijmend zegt: ‘Op hakblok griepzeug koortsgeit pestkip kaal/ en vaarzen dementerend in hun kisten.’, zegt ‘de commentator’ kaal en droog: ‘De bio-industrie lijkt haar langste tijd te hebben gehad.’

    De bundel wordt, halverwege, doorsneden door een gefingeerde dialoog, in de vorm van een raamvertelling (een klassiek procedé) – in het omkaderde verhaal is Claudianus, een historische Romeinse dichter, aan het woord. Hij zegt onder meer (en uiteraard zijn deze woorden poëticaal te lezen): ‘Het is de taak van de dichter die duisternis [de onderwereld in onszelf, de ziel] aan het licht te brengen, maar dan zo dat ze hanteerbaar blijft. Zonder koele vorm werkt het vuur uit de afgrond verlammend.’

    Het is alsof Gerbrandy in Vlinderslag de twee polen van de poëzie (samenstellende tendensen, krachten, vectoren) die in het beste geval gelijktijdig werkzaam zijn, uit elkaar heeft getrokken, als in een hegeliaanse dialectiek.

    Eén inhoudelijke laag van de bundel is die van de reis of tocht: het lyrisch ik verplaatst zich, deels per trein, deels per fiets, deels te voet, uiteindelijk zelfs zwemmend. Hij volgt de rivier, westwaarts, en bereikt uiteindelijk de zee. Op dit punt in de bundel (de monding) mengt de kalme verteltoon van de zee zich met het stuwende ritme van de rivierlyriek – er is ten slotte sprake van een synthese, waarin de tegenstellingen worden opgeheven, met elkaar verzoend. Hier begint de tekst te schuimen en bruisen, terwijl tegelijk de narratie vervolgt: ‘Zij zijn waar hier en daar elkaar ontmoeten. Waar zoeken we de delta van je bloed. Zit er systeem in de golfslag van je hormonen wie blaast dan wind die ze zweept. Welke maan slaat de trom van je etmaal.’

    UitgeverAtlas Contact
    Jaartal2013
    RecensentWillem Thies
    Editie2014-1