Recensies

  • Applaus vanuit het donker

    Hélène Gelèns
    Applaus vanuit het donker

    Vanuit het donker het licht

    Hélène Gelèns schrijft fascinerende gedichten die je aan het werk zetten. Dat komt doordat ze, meer nog dan in haar vorige bundels niet beginnen bij het hoofd (2006) en zet af en zweef (2010) in applaus vanuit het donker speelt met de syntaxis, de witregels, de spaties en de bladschikking. Daarmee doet haar poëzie bij momenten aan die van e.e. cummings denken, de Amerikaanse dichter die ze ook expliciet vermeldt in een gedicht.

    Gelèns roept nieuwe ervaringen van de werkelijkheid op. En van de manier waarop we met taal de dingen invullen. Zo krijgen we in de tweede afdeling van de bundel, ‘Hoe bloot’, een gedicht te lezen waarin heel wat letters weggevallen zijn. Als we lezen ‘ishtiktegedlaarzn?/daniset:kófdlarzen’,dan verwachten we niet dat we in het volgende gedicht deze invulling zullen lezen: ‘is het: zwik tegen danslaarzen?/ dans eist niet: zwik óf danslaarzen.’ Gelèns lijkt van de taal opnieuw een instrument te willen maken dat scheppende kracht heeft. In applaus vanuit het donker laat ze de poëzie als oorspronkelijke, ritmische, muzikale taal klinken, om de band tussen de woorden en de dingen te herstellen, terwijl ze er zich van bewust is dat dit nooit helemaal kan. Daarbij maakt ze zich graag los van het narratieve en van begripsmatige kaders, alhoewel die twee elementen niet afwezig zijn in de bundel.

    Gelèns presenteert zich hier graag als een soort regisseur die laat zien wat je met taal allemaal kan. In het openingsgedicht worden de zekerheden op de helling gezet. Wat als de werkelijkheid zich niet schikt naar de manier waarop de regisserende dichter alles bepaalt? Dan krijg je dit: ‘vijf uur is de sluitingstijd van alles// terwijl je nog schrapt: alle all al a/ applaus vanuit het donker/ en je weet niet: pluis of niet pluis’. In die eerste afdeling gaat het sterk over de spanning tussen de wetmatigheden die met de loop der dingen gepaard gaan enerzijds en de mens die zijn lot in eigen handen neemt anderzijds. Zo lezen we in ‘Wat ons toevalt’: ‘o wat ons is gegund: groei groeispurt ontgroeien?’ En in ‘Uw beurt’ worden we niet zonder ironie geconfronteerd met de gedachte dat we moeten blijven zoeken: ‘het begint op nul/ realiseert u zich/ het eindigt met/ applaus voor u/ wie niet klapt wordt betrapt.’

    In de tweede afdeling, ‘Hoe bloot’, wordt de zelfbeschikking van de mens in vraag gesteld. Want: ‘je bent bloot en betreedt een gonzend veld’. De angst moet bezworen worden, want in een gedicht lezen we ‘of je iets te vrezen hebt, je weet t niet maar/ iets in jou vangt aan zich op te vouwen’ en in een ander, in bewoordingen die doen denken aan een bezwerende formule, gaat het eerder over het inboezemen van angst: ‘zij vrezen mij, zij vrezen mij niet. Vrezen mij./ vrezen mij niet. Vrezen mij. [maar één wijst]’. Gelèns associeert in deze afdeling sterk en doet daarbij aan betekenisverschuiving. Ze wil door de basisbetekenissen van de taal heen dringen. En ze gebruikt daarvoor woorden die visueel en klankmatig gelijkenissen vertonen. Door de neologismen wordt semantische verwantschap gesuggereerd, zoals hier: ‘de zon kwijtgonzen als de eerste straaljagers van een squadron/ als de eerste straaljagers al wat beweegt op de grond stokstijfgonzen/ overgonzen?’

    We lezen ook versregels die beantwoorden aan het zijnschema, zoals René Dirven en Marjorlein Verspoor dat in hun Cognitieve inleiding tot taal en taalwetenschap (2001) omschreven. Zij definiëren het procedé als volgt: ‘Door middel van een zijnschema wordt een kenmerk, eigenschap of een andere begripscategorie aan een bepaalde entiteit toegekend, waarbij dit wezen zelf geen uitgesproken rol speelt.’ Dit zien we in het gedicht waar ‘groen’ verschillende eigenschappen krijgt en daardoor geen afgebakende rol speelt: ‘er gaan jaren overheen voordat/ kleurloos verkleurt naar groen// die twee groenen van dagen bleken rot/ wij boycotten alles wat groen is// groen! ben je nog niet weg?/ bij groen ben je verplicht door te rijden// bij groen ben je niet verplicht over te steken.’

    In de derde afdeling ‘Onraad’ geeft Gelèns ons een behartigenswaardig devies om onze vrijheid tegenover de wetmatigheden van de werkelijkheid te vrijwaren: ‘vertrouw op je denkkracht, je verwacht een riek/ bedenk een niet-riek een onriek iets a-riekaals’. In het vierde deel, ‘Rode bloesemjacht’, dicht Gelèns zich het meest vrijheid toe. ‘als we nu eens/ kruinen blazen in de taal?’ vraagt ze zich af. Het is precies wat ze hier doet.

    Het spel met licht en donker dat Gelèns opvoert in het vijfde en laatste deel van de bundel, ‘Vanuit het donker’, doet denken aan de poëzie die Lucebert in de vroege periode van zijn dichterschap schreef. Ook bij Gelèns gaat het om de dialectiek van licht en donker, met de nadruk op het licht. Het lyrisch subject hakt zich ‘een lichtwak’. Kijk, van zo’n poëzie als die in applaus vanuit het donker, daar leef ik van op.

    UitgeverCossee
    Jaartal2014
    RecensentPaul Demets
    Editie2014-1