Recensies

  • De beloofde dinsdag

    Martijn den Ouden
    De beloofde dinsdag

    Scheppertje spelen

    In de eerste afdeling van De beloofde dinsdag van Martijn den Ouden staat een soort filmscript-alsgedicht. Het begint met een dialoog. Een jongen die Brad heet, vraagt: ‘is it already tuesday?’. Als het antwoord bevestigend is, zegt hij: ‘shit I’m late I have to go’. Vervolgens worden de gebeurtenissen als regieinstructies gegeven, compleet met de bij B-films behorende slechte symboliek: ‘deur slaat dicht/ Jeep wordt gestart/ twee kraaien vliegen op vanaf de oprijlaan’. Brad verongelukt, ‘een streepje bloed uit het oor// veel contrast/ zwaar ademend/ hijgend’. Dan ineens grijpt de dichter in: ‘hé// ik heb vanavond eigenlijk niet zo’n zin in zo’n film’.

    Voor mij is dat een volkomen onbevredigende wending. Temeer daar ze een beetje exemplarisch is voor veel van wat er in de bundel gebeurt. Natuurlijk, ons zicht op de realiteit wordt vertroebeld door onze tot clichés verworden verbeeldingen ervan. Die clichés werken als filmscript: ze schrijven ons voor wat we zullen gaan zien, en dus ook wat er zal gebeuren. Maar zeggen dat je je daaraan kan onttrekken door er simpelweg ‘niet zo’n zin in’ te hebben, dat komt op mij over als een uitvlucht. Als ‘de beloofde dinsdag’ eenmaal is aangebroken, moet degene aan wie hij beloofd was weer vertrekken. Als het ‘geweld en verderf’ dat volgens de achterflap ‘om iedere hoek’ ligt, zich aandient, blijkt het allemaal niet echt.

    Den Ouden wil ‘spelen’, zo vertelt ook weer de achterflap, maar het lijkt alsof hij daarmee bedoelt dat hij het bij spelen wil laten. Alsof hij het voldoende vindt om iets poëtisch op te roepen zonder te hoeven leven met de consequenties. Den Ouden beschikt duidelijk over veel poëtisch talent en is niet bang daarmee te woekeren – hij strooit met opmerkelijke vondsten, vreemde associaties, meerduidige beelden en perfect lopende zinnen – maar door de manier waarop Den Ouden van dichterlijkheid naar dichterlijkheid fladdert, is het alsof het niet uitmaakt wat er met dat talent nu wordt verbeeld. Zo wordt verbeelding iets dat er niet toe doet, en dat vind ik zeer problematisch.

    Je zou natuurlijk kunnen zeggen dat die onverschilligheid over verbeelding heel kenmerkend is voor onze tijd, en misschien wil Den Ouden dat juist aankaarten, is dat het ‘verderf’ dat altijd op de loer ligt. Maar dat we in een onttoverde tijd leven waarin alle grote verbeeldingen, verlangens, religies en ideologieën besmet en onbruikbaar zijn geraakt, is bekend. De grote vraag is: wat nu? Het einde van de geschiedenis is voorbij. We leven niet in een tijd waarin we de vrijheid van het onbetekenende, doelloze, ongerichte moeten herwinnen, zoals dat misschien wel nodig was in de tijd van de naoorlogse experimentele poëzie waarin Den Oudens dichterschap zich lijkt te wortelen. We leven in een tijd waarin we moeten leren dat woorden consequenties hebben, waarin we de moed moeten opvatten om ook aan onze eigen woorden weer consequenties te verbinden en onder die verantwoordelijkheid te bedenken wat het dan is dat we zouden moeten zeggen. We moeten dingen durven verbeelden die onomkeerbaar zijn.

    En soms doen Martijn den Ouden dat ook. En als hij het doet, dan doet hij het ook meteen magistraal. Met name in de laatste afdeling van De beloofde dinsdag staan nogal wat overrompelende gedichten. Het mooiste vind ik het scheppingsverhaal waarin de hemel een lege plek is, een tafel waar kan worden aangeschoven. Drie mensen doen dat ook, als in Andrej Roebljovs wereldberoemde icoon van de triniteit. Ze slaan op het water op aarde, wat allerlei wezens uit dat water doet opspringen – een beest, mannen, vrouwen, tirannen – die op hun beurt de hemel dan weer ‘penetreren’. Wederzijdse beïnvloeding tussen het eeuwige en het tijdelijke, het hemelse en het aardse, het goede en het kwade. Daar wordt iets onomkeerbaar veranderd. Daar wordt niet zomaar scheppertje gespeeld, daar wordt geschapen.

    UitgeverQuerido
    Jaartal2013
    RecensentJoost Baars
    Editie2014-1