Recensies

  • Een vlok duisternis

    Piet Gerbrandy
    Een vlok duisternis

    Lussen, rituelen, passages

    Onlangs werd in Amsterdam voor het eerst een uitvoering gebracht van de compositie ‘De lussen van Faverey’ van wijlen componiste Margriet Hoenderdos. Hoenderdos componeerde het stuk in nauwe samenwerking met Faverey bij diens laatste bundel Het ontbrokene. De compositie wordt zelfs genoemd in de eerste uitgave van de bundel. Het stuk voor 5 blazers bestaat uit 5 maal 9 muzikale ‘lussen’, onderzoekende klanken die de als ritueel geïnterpreteerde ‘taalbewegingen’ van Faverey pogen te spiegelen, zonder mimetisch te worden. Hoenderdos schrijft in de inleiding bij haar compositie dat de lussen uit de titel verwijzen naar de manier waarop zo’n taalbeweging ‘zoals een boemerang of dolfijn zijn curve maakt’.

    Ook in Een vlok duisternis wordt het rituele karakter van Faverey’s teksten naar voren gehaald. De schrijver van het essay, Piet Gerbrandy, is één van de meest toegewijde poëzielezers in het Nederlands taalgebied. Naast zijn werk als dichter en classicus produceert hij een tweewekelijkse recensie in de Groene Amsterdammer en schrijft hij in een hoog tempo aan doorgaans lijvige literair-kritische lezingen van vaak als ontoegankelijk te boek staande poëtische oeuvres. Twee jaar geleden resulteerde dat in het indrukwekkende proefschrift De gong en de rookberg, waarin hij het werk van Hamelink en Ter Balkt onderzoekt, voornamelijk in hun intertekstuele verwijzingen en betekenislagen. Dat was een dankbare, maar uitputtende taak bij beide dichters. In zijn jongste, veel minder lijvige werk richt hij zich op Hans Faverey.

    Hoewel Een vlok duisternis slechts zo’n zeventig pagina’s telt, richt Gerbrandy zich in dit boek toch op het gehele oeuvre van Faverey. Waar hij zich in zijn proefschrift nog beperkte tot de duiding van een tweetal bundels, gaat hij hier voor een grote these met een bredere aanspraak. Het doel van zijn lezing is een consistentie aan te wijzen in het gehele oeuvre van Faverey die getypeerd kan worden als een ritueel proces, getuige ook de ondertitel van het werk.

    De veronderstelde complexiteit van het werk van Faverey mag haast spreekwoordelijk genoemd worden. Zozeer zelfs dat ik soms het gevoel heb dat die complexiteit wellicht wat al te zeer overdreven wordt. Er zit ook een heel begrijpelijke, concrete kant aan het werk van Faverey. Gerbrandy heeft echter vooral oog voor die complexiteit en toont zich in dat licht enigszins verbaasd over de populariteit van het oeuvre. Hij noemt hem zelfs, met recht denk ik, ‘de hoogst vereerde dichter na Lucebert en Gerrit Kouwenaar’ en daarmee ook een angstbeeld voor jonge dichters. Het is voor een ieder allereerst zaak te vermijden dat je werk geïdentificeerd wordt als een Faverey-imitatie. Dat moge juist zijn, ik denk dat die angst vooral ook te maken heeft met de nadruk op de veronderstelde ontoegankelijkheid in zijn oeuvre. Zo zou er in mijn ogen een zinnig onderzoek te wijden zijn aan de verwantschappen tussen het werk van Faverey en dat van een dichter als Mustafa Stitou, die zelden met abstracte poëzie geassocieerd wordt. Hoewel ik het wat dat betreft hier bij speculatie moet houden, vermoed ik dat juist de speelse, concretere kant van Faverey in zo’n stuk meer recht zou kunnen worden gedaan.

    De classicus met postmoderne trekjes Gerbrandy kiest er expliciet niet voor die kant naar voren te schuiven. Overigens ontkent hij evenmin dat die wel in het werk aanwezig is, maar zelf ziet hij in zijn essay vooral een schone kans om zijn indrukwekkende eruditie en filologische vermogen toe te passen op werk dat zich daar allicht dankbaar voor leent. Dat doet hij meer dan kundig. Zijn stelling is dat het oeuvre als geheel gelezen kan worden en als zodanig als een ritueel proces dat verschillende passages doorloopt. Het begin van het oeuvre wordt gedomineerd door deconstructie, de wens om de taal af te breken. In de middenpassage komt de nadruk vervolgens te liggen op het intertekstuele spel. Daar kan Gerbrandy zijn hart aan ophalen. Zo haalt hij met even zichtbaar als aanstekelijk plezier de vele intertekstuele verwijzingen naar boven in de centraal gestelde serie ‘Het net’ uit de bundel Zijden kettingen (1983). Die blijken voornamelijk afkomstig uit de presocratische filosofie.

    In de derde en laatste fase laat de dichter zich weer als ‘ik’ gelden die als het ware door ‘het net’ heen gebroken is. Op dit punt in het essay komt ook het meest controversiële in Gerbrandy’s these het nadrukkelijkst aan het licht. Dat lijkt me het feit dat hij in zijn leesproces de autobiografische gegevens van de dichter niet schuwt als betekenisvolle aanwijzingen voor een literaire lezing, een leeshouding die in grofweg de afgelopen 30 jaar nogal suspect geworden is. Gerbrandy durft Het ontbrokene echter zomaar letterlijk in het licht van Faverey’s eigen aanstaande dood te lezen. En hoewel de formele bezwaren tegen die autobiografische lezing niet zomaar verdwenen zijn en bovendien niet of nauwelijks weerlegt worden door Gerbrandy, vind ik die geste wel sympathiek. Een veel groter bezwaar is de beperkte omvang van het werk die maakt dat het aantal duidingen al even beperkt moet blijven. Maar dat is wellicht niet meer dan een luxeprobleem van een onverzadigbare lezer. Gerbrandy slaagt er in dit kleine boekje namelijk wel degelijk in een waardevolle bijdrage te leveren aan de reeds omvangrijke Faverey-receptie. Gelukkig is hij zich er van bewust dat ook hij het finale woord over dit oeuvre hiermee niet geschreven heeft. Opdat die receptie blijve groeien.

    UitgeverUitgeverij Huis Clos
    Jaartal2013
    RecensentMatthijs Ponte
    Editie2014-1