Recensies

  • Weggewaaid

    Arthur Doctors van Leeuwen
    Weggewaaid

    De onvindbare waarheid

    De dichter Arthur Docters van Leeuwen, mijn hemel! Je ziet de man direct voor je, hoofd van de BVD, procureur-generaal, voorzitter van de Autoriteit Financiële Markten. Het zijn voor een dichter allemaal hoogst ongebruikelijke geloofsbrieven maar Docters van Leeuwen geneert zich er niet voor, ze worden allemaal opgesomd in zijn debuutbundel Weggewaaid, wat ik overigens wel weer een aardige, lichte titel vind voor zo’n dikke deur.

    Hoeveel vooroordelen moet je opzij zetten voor je dit onbesmuikt gaat lezen? Prometheus geeft het uit, keurige uitgever maar misschien toch ook geïmponeerd door de naam en ‘s mans maatschappelijke positie, en als aanbeveling staat er een quote van literatuurcriticus Matthijs van Nieuwkerk op, ‘Ik heb het met ontzettend veel plezier gelezen’, ongetwijfeld geplukt uit DWDD; nietszeggender en onbetrouwbaarder kan haast niet want als gastheer van een talkshow ga je zo’n man z’n liefdesbaby natuurlijk niet afbreken. Kortom, nog voor je het pierdunne bundeltje hebt opengeslagen zit je al vol met voorgevoelens en vooroordelen en voorpret misschien wel.

    Maar het valt mee. Niet dat hier de poëzie opeens een zeldzaam talent krijgt te verduren, maar Docters van Leeuwen is geen knoeier. Neem het eerste gedicht ‘De waarheid’:

    De waarheid is een donkere god
    Die wrokkig in zijn grot zit
    Onbenaderbaar

    Wij troosten elkaar elegant
    Zwierig en vluchtig twisten wij

    De waarheid houdt zich intussen onvindbaar
    Een grijze steen tussen de rotsen

    Wraak

    Wij, wij zijn hooguit een rookpluim
    Die niet, net niet meer, in het heden bestaat

    Een aardig, universeel gedicht over eeuwige, metafysische waarheid en vluchtige, voorbijgaande menselijkheid. Als een Chinese dichter, net achter de tralies vandaan, het zou voordragen zou je applaudiseren. Ik zou overigens wel willen weten wat dat woordje ‘Wraak’ daar precies doet, want dat snap ik niet helemaal in deze context maar allicht dat die vraag alleen maar in me opkomt omdat ik weet dat de schrijver jurist is.

    In een volgend gedicht herinnert Docters van Leeuwen zelfs even aan Remco Campert, de Campert van de bitterzoete liefdesgedichten wel te verstaan. ‘Kinderspel’ begint hoopvol: ‘Elf was ik en jij half begeerlijk’, maar de toenadering eindigt in een deceptie: ‘Met een blik waaraan de schrik nog kleefde,/ Keek je en ging dicht bij je minnaar staan.’ In veel van zijn gedichten zit die licht-ironische praattoon, die misschien wel de makkelijkste in de huidige poëzie is, maar als het goed gedaan is heb ik er geen probleem mee.

    Hoewel Docters van Leeuwen de zware, metafysische onderwerpen mijdt, zelfs in het gedicht over de zelfmoord van een vriend, en in dat opzicht de dichtkunst misschien toch vooral als een prettige tijdspassering opvat, proef ik hier en daar diepere ondertonen, bijvoorbeeld in ‘Mededogen’: ‘Nu mededogen echt bestaat/ Is het moeilijk het lijden buiten de deur te houden.’ Aan het eind vraagt hij zich af of die beschaafde, empathische mens wel een toekomst heeft: ‘Machines zullen tegen ons opstaan, ook de dieren./ Planten zullen ons verstikken.// Dat zij zullen lijden als wij, lijkt me geen troost.’ Zulke ietwat moeizame gedachten doen me eerlijk gezegd meer dan Docters’ huiselijke overpeinzingen. Ik zou dan ook wensen dat hij zijn eigen beroepsdeformatie nog meer de poëzie insleepte en zijn gedichten inhoudelijk en thematisch complexer maakte: veel over schuld en boete bijvoorbeeld. Nu lijkt het soms wat te veel op wat er om hem heen geschreven wordt. Maar nogmaals, het is beslist niet slecht gedaan, je merkt dat hij zijn moderne klassieken kent en zelf een soepele pen heeft. Dat is voor zo’n onverwacht debuut eigenlijk een heel compliment.

    UitgeverPrometheus
    Jaartal2013
    RecensentRob Schouten
    Editie2014-1