Recensies

  • Open mond

    Erik-Jan Harmens
    Open mond

    Couperosekonen

    Erik-Jan Harmens debuteerde precies tien jaar geleden en publiceert nu met Open mond zijn vierde bundel. Daarnaast schreef hij twee romans en stelde hij de bloemlezing Ik ben een bijl samen, waarin hij een zeer uitgesproken beginselverklaring over poëzie opnam. Harmens vindt het belangrijk dat poëzie niet gezapig, vrijblijvend is en buiten de werkelijkheid staat: ‘Ik wil alleen maar gedichten over bijlen. Een bijl kan vele gedaanten aannemen.’ Hij zet af en toe wel erg hoog in: ‘Als het gaat om de toon van de muziek, dan moeten dichters in hun werkkamer geen bloemenvelden gaan bezingen terwijl buiten het kanonnenvlees in de loopgraven lilt’. Zoveel bloemenvelden zijn er volgens mij de afgelopen decennia niet bezongen in de Nederlandse poëzie, en het spreken over loopgraven klinkt in een manifest ondertekend in Landsmeer enigszins over the top. Maar het is hem blijkbaar menens, en dat is mooi.

    Een dergelijke sterke stellingname maakt benieuwd hoe de dichter in zijn nieuwste bundel waarmaakt waar hij voor staat. Hoe moet het dan wél? Staat zijn poëzie ‘in de tijd’ en is ze gevaarlijk, zoals de dichter wil?

    Harmens’ vocabulaire is onmiskenbaar eenentwintigste-eeuws, met straattaal als ‘hij ligt al kankerlang onder de grond’, of een vergelijking met douchegel erin (‘ik wil je vuile verwijten als douchegel van me af laten glijden’). Er zijn vmbo-ers die een tunnel schoonspuiten, er is een rapper, een tsunami wordt vluchtig in een vergelijking genoemd, er wordt gemaild. Maar is dat genoeg urgente hedendaagsheid volgens zijn eigen maatstaven?

    ‘Ik wil dat poëzie een reflectie is van de tijd waarin ze is geschreven. Ik wil dat de moord op Pim Fortuyn en de moord op Theo van Gogh, het online slachten van immigranten op ouwejongenskrentenblog Geen Stijl en de rechtdoorzeeë duim omlaag in de richting van Ayaan Hirsi Ali [...] ik wil dat dat allemaal een stem krijgt in de woorden van dichters’, schrijft hij in Ik ben een bijl. De betrokkenheid reikt in de bundel Open mond niet veel verder dan de ‘accordeonist in winkelcentrum boven ’t ij’ (‘ooit keek hij bij een moeilijk stukje naar de toetsen/ en toen hij weer opkeek was hij een duo’).

    Harmens schrijft toch vooral veel over de meest dichtbije menselijke interactie, en dan vooral over stroefheden in liefdesrelaties. In deze bundel neemt dat nogal eens de vorm aan van het genadeloos ontleden van de omgang met elkaar in een verziekte relatie. Wat mij betreft is dat helemaal geen zwakte, het is misschien wel zijn sterkste kant. Maar als recensent van zijn eigen bundel zou hij best wat aan te merken kunnen hebben op zijn eigen gedichten, waarin inhuizigheid en relatiegedoe de meest stabiele factoren zijn:

    als je de voordeur van het slot draait terwijl ik op de wc ben
    plas ik in het midden zodat je me hoort

    daarna veeg ik met een papiertje de rand van de pot droog
    dat papiertje werp ik in het water en dan trek ik door

    Als je het iets breder formuleert, zoals hij onlangs deed in een interview: ‘Ik vind dat in een gure tijd de poëzie ook guur moet zijn’, dan klopt het ineens wél met zijn werk. Harmens schrijft rauw en straight, en dat maakt zijn werk krachtig en herkenbaar. Naast nonchalant-nuchter is zijn werk ook melancholiek en verbitterd. In die zin: ja, guur.

    In een interview zei Harmens: ‘Humor, seks en geweld in gedichten – schijnt allemaal niet te mogen, maar ik doe het toch.’ Of het niet zou mogen is de vraag, maar inderdaad: erg vaak komt de daad niet aan de orde in poëzie. Bij Harmens zijn bovengemiddeld veel geslachtsdelen, geilheid en aanstalten aanwezig. Dat lijkt me winst. Vooral door de levensechtheid, in zinsneden als ‘je wrijft ‘m tegen je aan’, ‘ik wil onder meer in je broek/ strelen en hijgen en zwijgen’. Maar net als de alledaagse omgang met elkaar draagt ook de seks in deze bundel mislukking in zich, gaat niet door of niet naar wens.

    Harmens’ verlangen naar avontuur in de taal maakt hij behoorlijk waar. Hij schrijft al sinds zijn debuut zonder enige interpunctie, ook geen vraagtekens of uitroeptekens, terwijl je die wel zou verwachten gezien de intensiteit van zijn werk. Het maakt dat je als lezer zelf het ritme moet zoeken, wat des te spannender is: ‘in je bed op klossen geen hond die je hoort’. Ook spannend is de combinatie van toegankelijkheid en een zeker hermetisch, ongrijpbaar element, iets wat niet zomaar meegeeft, wat niet helemaal te vangen is, in zinnen als:

    winnaars wellen in melk
    klein als onze dromen

    verruilen hun jaapstobbeblos
    voor couperosekonen

    De combinatie van direct en cryptisch maakt het werk heel sterk: je komt makkelijk binnen door de vertrouwde woorden en taferelen, maar eenmaal binnen vind je de weg nooit helemaal.

    Misschien laat Erik Jan Harmens met deze bundel wel vooral zien dat je niet bij voorbaat onderwerpen kunt uitsluiten van de poëzie (‘ik ben niet geïnteresseerd in poëzie over boomschors, maar wel in poëzie over vreemdelingenhaat’), maar dat het uiteindelijk de taal, de toon is waarmee je al dan niet sterke, ertoe doende gedichten maakt.

    UitgeverLebowski
    Jaartal2013
    RecensentKiki Coumans
    Editie2014-1