Recensies

  • Beproevingen

    Jan-Willem Anker
    Beproevingen

    Leven onder een stolp

    In het Egypte van de derde eeuw stapt een man rond, Antonius, die als kerkvader en stichter van het kloosterleven de geschiedenis in zou gaan, maar zijn grootste bekendheid ontleende aan de verhalen omtrent zijn ‘bezoekingen’ door demonen, aan welke hij onderhevig was. De schilderkunst maakte dankbaar gebruik van het fraaie thema en ook de letteren kennen voorbeelden van navolging te over.

    De verzoekingen, ‘beproevingen’ of martelingen die het uitgangspunt vormen voor Jan-Willem Ankers bundel zouden wij tegenwoordig eerder een stevige midlife crisis noemen. Ankers demonen zijn zijn eigen nietigheid en de troosteloze gang van de eenling, beeld geworden in een lekke band, een scheur in het asfalt.

    ‘Het ik, het ik, het luizigste van alle voornaamwoorden,’ werpt Anker de lezer als-motto-en-handzaam-sleuteltje-voor-zijn-poëzie meteen maar in de schoot. In 50 korte prozagedichten, korte verhaaltjes veelal vanuit een ‘ ik’ verteld, doorlopen we de lauwe wereld van een teleurgestelde.

    Jan-Willem Anker, auteur van drie eerdere bundels en een roman, kan goede, aansprekende en soms zelfs swingende zinnen schrijven. ‘Ik overwoog mijn laatste geld te spenderen aan een reis naar Beiroet om daar bij een aanlandig windje stijlvol te verkommeren,’ is er zo eentje. Of: ‘omringd door het geheupwieg van zoveel singles voelde ik hoe voldoeninggevend de opvoering van je eigen wanhoop is.’

    Wanhoop, veel van deze bundel ademt de diepe wanhoop van de redelijk welvarende, redelijk gezonde maar verveelde en niet uitontwikkelde dertiger. Daarmee kan Anker je soms in de taal naar de strot grijpen. Maar vaker druk je een gaapje weg met een I couldn’t care less.

    Dat is niet omdat Anker geen goede dichter is, het komt ook gedeeltelijk door de vorm die hij koos: de vrije regelval van het korte prozagedicht is hier toch bij uitstek het imperium van de onmacht. Had hij zich strengere eisen gesteld, dan had hij de gedichten meer op spanning kunnen zetten. Maar ja, strenge eisen... ‘Ik lepelde in een bordje ontbijtgranen. Terwijl ik mijn bord aan het leegvreten was, dacht ik “Dit is dus het leven.”’ En zo is het weinig van de dichter eisende prozagedicht ook de beste weerspiegeling van een laconieke depressie.

    De tijd waarin reactionairen het hadden over ‘een schop onder de kont’ en ‘langharig werkschuw tuig’ is wel voorbij, maar de dichter heeft zich in deze bundel echt te weinig laten leiden door een veeleisende vorm. Hierdoor ervaart de lezer in plaats van een intense ‘levensleegte’ toch vaker de onverschilligheid van het gedicht zelf. Over een lauw bestaan niet dwingend dichten, levert een lauw geheel op.

    In een aantal gedichten doet Anker het net iets anders, er zijn erbij die bijna ‘zen’ zijn, een enkele heeft een verfrissend licht absurdisme van Charms, of Toon Tellegen in zijn dierenverhalen.

    Wanneer de dichter iets langer nadenkt, een zin iets beter polijst, treft hij wel eens doel. ‘Ik ben gedwongen voor altijd op het podium te blijven terwijl het donker van de zaal steeds meer bevolkt raakt met mensen van wie ik niet wist dat ze altijd al onbereikbaar voor me waren.’ Of: ‘Ik was nietig op het extreme af, eigenlijk al te gering voor een eerste persoon enkelvoud. Soms echter voelde ik me groots. Dan trok ik de gelukzaligheid aan haar staart en hield me voor dat alles maar spel en droom was en dat ik veilig was, zoals de kern van een vlam ’s nachts veilig is voor duisternis.’

    Dit gedicht bezweert de demon van het niets, de leegte. En dit gedicht doet dat goed, maar de bundel in zijn geheel slaagt daarin helaas te weinig.

    UitgeverArbeiderspers
    Jaartal2013
    RecensentMenno Hartman
    Editie2014-1