Recensies

  • Ons verlangen

    Paul Bogaert
    Ons verlangen

    Onzekerheden in kaart gebracht

    In eerdere bundels pakte Paul Bogaert de zaak vaak hardhandig aan: vrij illusieloze gedichten over het menselijk tekort met zo nu en dan een sprankje hoop op wat beters. Dat kritisch-pessimistische beeld van de mens beviel me uitstekend. Het leek me vooral een wijze les die misschien niet veel zei over de maker zelf. Je hoeft immers geen misantroop te zijn om misantropisch te schrijven. Ook een vitalist kan de mens een donkere spiegel voorhouden.

    Wie met de kennis van bundels als bijvoorbeeld Welcome hygiëne en De slalom soft Bogaerts nieuwe bundel Ons verlangen betreedt, staat aanvankelijk te kijken. Wat een positivisme ineens, wat een levensvreugde en dynamiek, en dat ondanks de afdelingstitels die steeds ‘Onzekerheden’ luidt. De spreker lijkt wel boven z’n theewater: ‘Al die namen maken mij/ tipsy, ik leef, ik ben rijk: zonlicht glijdt hier door de luxaflex over de kipcurrysalade’ en even verderop: ‘Nu de pus uit puist is,/ kan de jeugd weer bewegen,/ zoekt de massa een ritme/ zonder aan de skeletten te denken.’ Oftewel, de jeugd, de massa lijkt zich uitstekend te vermaken. Helaas, het blijkt een valse start, dit jonge, energieke leven.

    Ons verlangen is, net als sommige vorige bundels van Bogaert, eigenlijk één lang gedicht in afdelingen, en gaandeweg wordt de stemming daarin donkerder en kom je er achter dat Bogaert niet zoiets als een nieuw gevonden Lebensbejahung beschrijft maar een gemiddeld, alledaags bestaan dat allengs negatievere ondertonen krijgt. Wat bijvoorbeeld te denken van vers nummer 9, ‘Is dat wel iets’:

    Hij smijt haar op het bed, dat moet,
    die coltrui moet uit,
    de rest ook, een scheur is niet erg, hij moet snel
    met zijn huid
    op haar huid gaan liggen; zij is onderkoeld.

    Of dat wel iets voor mij is? Natuurlijk.
    Als het lukt met die poriën, dan is zij gered!

    Wat ik even voor een ietwat gewelddadige liefdesdaad hield blijkt bij nader inzien een hachelijke reddingsactie op leven en dood (en je begint je dus af te vragen wat het verschil eigenlijk is). Steeds kaler wordt dit gedicht over het dagelijks leven, waarin de mens begoocheld door zijn omgeving abusievelijk denkt dat hij wat voorstelt en iets unieks meemaakt:

    In bonte, imposante rijen
    groeien
    de driedimensionale kolommen:

    onmisbare informatie
    uit het spectrum van blijdschap tot leed.
    Ik wil niet alleen zijn! Je bent niet alleen!

    Alles uitschuifbaar van 0 tot 100%.

    Het is duidelijk dat zo’n afstandelijk gedicht niet lyrisch opwiekt, geen schoonheid verkondigt en ook niet al te psychologisch of filosofisch wil doen. Bogaerts taal is zakelijk, parlandistisch; zijn fantasieën over moderne mensen zijn wel beeldrijk, ‘een fantasmagorie, dit buitenissige festival/ van groeiende waaiers’ maar ze putten hun taal toch grotendeels uit zakelijke of wetenschappelijke idiomen: ‘Allemaal dingen die iedereen weet./ Factoren die het resultaat bepalen:/ voorbereiding, snelheid, hoe de schemering vordert,/ de hoek van waaruit, variabelen/ waar niemand vat op heeft en de richting daarna.’ Zoiets had evengoed in een essay over menselijk onvermogen kunnen staan. Het leven, de liefde, sociaal contact, een beetje leuk meedoen, het is in de gedichten van Paul Bogaert een mijnenveld, je weet nooit wanneer je het goed doet, waar je precies uitkomt en ook niet of dichterlijke woorden uitkomst bieden. De Bogaert-mens is een ultiem onzeker, onwetend wezen, vol emoties en hunkering maar zonder veel kennis van de gang van zaken op aarde en in de kosmos. Zo is ook dit gedicht, na de aanvankelijke euforie toch weer een tractaat over de condition humaine geworden, soms cynisch, soms berustend, maar nooit verdoezelend. Ik blijf het boeiend en enigszins onthutsend vinden maar vraag me onderhand wel af of Bogaert ooit nog een ander mensbeeld in zijn poëzie heeft te bieden.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2013
    RecensentRob Schouten
    Editie2014-1