Recensies

  • Het waaide er

    Jan Glas
    Het waaide er

    Slim, nuchter en absurd

    Net als het Friese podiumwonder Nyk de Vries was de Groningse  dichter/kunstenaar/fotograaf Jan Glas al enkele jaren een gekoesterd geheim in het noorden des lands voordat hij als Nederlandstalige dichter debuteerde. Vijf jaar geleden, tegelijk met de Groningstalige uitgave Dubbel Glas – Ale Gedichten, presenteerde hij zich aan de rest van Nederland met Als was zij mijn vrouw. Een wonderbaarlijke bundel, waarin intiem-absurde pareltjes te vinden zijn als ‘De mooie bakker’, ‘De overtollig geworden dromen’ en het titelgedicht ‘Als was zij mijn vrouw’. Via internet voor iets meer dan een tientje nog wel te bestellen, wat ik u zeker aanraad, maar lees nu eerst even mee uit de opvolger, Het waaide er:

    Na de dood van mijn ouders hoefde het in principe met mij niet meer goed te komen. Voor die tijd stak alles nogal nauw en was het bestaan vooral een langgerekt gedoe geweest. Een man gezien door de ogen van een paard. Hol en kegelvormig, een soort trechter. Nu word ik zijwaarts geopend, dacht ik, terwijl ik het crematorium verliet. Maar ik heb mij daarin vergist. De dood herkent geen individuen. Het grote verhaal gaat verloren, belangrijke details worden gemist.



    Dit gedicht, het vijfde en laatste in een door de bun- del verspreide reeks onder de titel ‘Abstract’, bevat veel typische Glas-elementen: het is slim, nuchter en absurd, en handelt over een wezenlijk onderwerp (hier: dood, levensinvulling, vergeefsheid; vaak ook: liefde -en ook dan meestal: vergeefsheid), terwijl het niet verzuipt in de potentiële zwaarte daarvan. Dat het bestaan na de dood van de ouders ineens een minder ‘langgerekt gedoe’ werd, neem ik niet meteen aan trouwens: de hele bundel getuigt, soms monter, soms melancholisch, van het geworstel en gehannes waarin de dichter zichzelf en de mensen om zich heen verwikkeld laat raken.

    Bij de presentatie, afgelopen november, noemde Glas zijn bundel ‘een bundeling van situaties en omstandigheden,’ waar hij ter relativering nog maar even aan toevoegde: ‘door de vorm waarin ze staan, kun je ze gedichten noemen’. De uitwerking van deze gedichten kan grofweg drie vormen aannemen: je weet niet precies wat je ermee moet, of je glimlacht omdat je merkt dat je even uit je evenwicht wordt geduwd, of je raakt ontroerd. Vaak gebeuren die laatste twee dingen tegelijkertijd. Zoals in ‘De hersenen’: 

    De hersenen zijn arm. Ze hebben
    weinig te besteden. Overal
    hetzelfde goedkope behang.
     
    Uit besparing leggen gedachten
    
de kortste route af.

    Bijvoorbeeld: je bent net gaan zitten
    en denkt: hè hè, blij dat ik zit.
     
    Het regent, en je denkt:

    daar moet ik straks doorheen.
    Je bent klaar met eten:

    zo, dat heb ik weer gehad.
     
    Stille armoede. Dat is het.
    Vaak merk je het zelf niet.
    Een ander ziet het niet.

     

    Je lacht met een brok in je keel, schreef een recensent al eens over eerder werk van Glas. En dat is inderdaad precies wat er bij de beste gedichten in deze bundel gebeurt. Maar hoe komt dat, hoe flikt Glas ’m dat? De truc laat hij denk ik doorschemeren in de slotregels van zijn afscheidsgedicht voor een ‘man die goede pakken droeg’: ‘De realiteit aanvaard ik./ Er is maar weinig informatie nodig/ om de wereld te begrijpen’. Niet echt in het begrijpen van de wereld, maar in het aanvaarden van zowel de absurditeit als de betrekkelijkheid ervan, zit de kracht van de dichter Jan Glas. En in de spaarzaamheid van woorden, hun afgewogen nonchalance, zit de kracht van zijn gedichten.

    UitgeverKleine Uil
    Jaartal2017
    RecensentThomas Möhlmann
    Editie2018-1