Recensies

  • De eerste letter

    Lieke Marsman
    De eerste letter

    Op zoek naar de stem die roept

    Een van de meest onontkoombare debuten van de afgelopen jaren is Wat ik mijzelf graag voorhoud van Lieke Marsman. De bundel werd maar liefst drie keer bekroond, met de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs, de Liegend Konijn Debuutprijs en de C. Buddingh’- prijs (bij de Jo Peters Poëzieprijs bleef het bij een nominatie). Wie de bundel heeft gelezen, kan moeilijk beweren dat dat niet terecht was. Maar het probleem van al die waardering voor zo’n jong debuut – Marsman was bij verschijnen pas 20 – is natuurlijk dat je als je zo jong bent in zekere zin maar wat doet. Als je dóórgaat met wat je doet, als je het kortom nog een keer moet doen, kom je voor de vraag te staan: wat deed ik eigenlijk, hoe deed ik het, en waarom?

    De moeilijkheid van die vraag is dat je de plek waar je bent aangekomen – waar je klaar bent met wat je deed – weer moet verlaten. Je moet als het ware opnieuw niet weten wat je doet, dit keer bewust. De dichteres Dorothy Parker zei: “I hate writing, I love having written.” En een andere Amerikaanse dichteres, Dorothea Lasky, schreef dat goed dichten neerkomt op moedwillig een omgeving betreden die volkomen onzeker is, en daar overeind blijven. Als je jong bent, bevind je je per definitie in zo’n omgeving, dan gaat het dichten vaak vanzelf. Maar als je ergens bent aangekomen, is het lastiger dat punt weer te verlaten.

    Niet verbazend dus dat De eerste letter, Marsmans tweede bundel, precies die problematiek behandelt. Veel gedichten refereren aan de angst om iets te zeggen of te schrijven, als de angst om gehoor te geven aan iets buiten je, en ook de angst dat er buiten je helemaal niets is om gehoor aan te geven. ‘Indruk maken’ bijvoorbeeld is te lezen als een smeekbede aan de muze die niet thuis geeft, maar toont tegelijkertijd dat je de muze niet verleidt door indruk te maken met bijvoorbeeld een mooi gedicht. In een ander gedicht schrijft Marsman: ‘een stem spreekt tegen me en ik moet bepalen/ of het een engel is’.

    Veel gedichten zijn aan iemand gericht. Het is interessant om je af te vragen wie of wat diegene dan wel is, wie of wat de stem is die je roept en waarop je antwoordt door een gedicht te schrijven. Eerder wijdde fondsgenoot Willem Jan Otten een hele bundel aan die vraag in Gerichte gedichten. En hoewel De eerste letter geen religieuze bundel is in de zin van behorende tot een denominatie, deelt Marsman een zekere mystiek met Otten. Ook zij vraagt zich voortdurend af, vaak letterlijk: ‘tegen wie praat ik eigenlijk?’.

    Als het al om een God zou gaan, dan die van postmoderne theoloog en filosoof John Caputo, de God die je vanuit het nog-niet-zijnde (als de engel van Marsman) roept om het onmogelijke te laten voltrekken. Marsman schrijft: ‘Ik hoef geen deur open te zetten/ om haar binnen te laten.// Alleen een raam dicht te doen/ dat ze in zal willen slaan.’ De onmogelijkheid van de entrée van de ‘zij’ wordt zo de uitnodiging. Maar het is accurater om te zeggen dat de vraag simpelweg nooit wordt beantwoord, en dat het open krijgen en houden van die vraag ook precies de agenda van de bundel is.

    Wie op die manier kijkt naar ‘Variaties op Variations on a Theme by William Carlos Williams door Kenneth Koch’, waarin Marsman een soort overdrijving maakt van de overdrijving die Kenneth Koch maakte van het beroemdste gedicht van Williams, ‘This is just to say’ (die met die pruimen), ziet veel meer dan de kolderieke fratsen die ze ermee uithaalt.

    5

    Ik liet mijn hond in je gezicht bijten en je bloedde als een rund.
    Vergeef me. Je leek me zo lief en zo zacht die dag
    en ik wilde alleen maar kijken of je dat echt was, zo lief
    en zo zacht.

    Hoe leuk ook, het gaat niet om de grap, en ook niet om de intertekstualiteit van de onderneming. Het gaat om het vrijmaken van de stem die het gedicht tot bestaan geroepen heeft, de stem waar Williams op reageerde, daarna Koch, en nu Marsman. Het punt is: het gedicht is misschien af, maar doordat het af is, heeft het zich losgemaakt van de roep waar ze een reactie op is. Marsman wil vastberaden die roep terugvinden, en schuwt daarvoor geen middel, hoe kolderiek ook.

    Die vastberadenheid is wat De eerste letter zoveel beter maakt dan haar toch al niet misselijke debuut. In plaats van simpelweg te woekeren met haar talent voor dualiteit – denkende en voelende poëzie, wilde en breekbare, ernstige en kolderieke – stelt Marsman in deze bundel haar talent in dienst van iets dat groter is dan zijzelf. Het jaar is nog maar net begonnen, maar het moet raar lopen wil dit niet een van mijn lievelingsbundels van 2014 worden.

    UitgeverVan Oorschot
    Jaartal2014
    RecensentJoost Baars
    Editie2014-1