Recensies

  • Het hoofd onder de arm

    Erik Solvanger
    Het hoofd onder de arm

    Ernstig absurd

    ‘Ieder mens vreest de dosis waanzin die in hem zit.// Bang dat het ontvlamt, explodeert’, schrijft Erik Solvanger in zijn derde bundel, Het hoofd onder de arm. Na Eenvoudig schedellichten (2004) en Slijp het sternum (2008) wederom een titel waaruit een van de kernfascinaties van deze dichter spreekt: het menselijk lichaam en de demontage daarvan.

    De toon is meteen gezet: ‘Gedichten van Cotard’ heet de eerste afdeling, naar de negentiende eeuwse neuroloog Jules Cotard en de naar hem vernoemde psychische aandoening. Wie aan het syndroom van Cotard lijdt, verkeert in de waan dat hij dood is, of organen mist, of überhaupt niet bestaat. Koren op de molen van Solvanger, die van dergelijke afwijkingen zowel de lach- als de huiveringwekkende implicaties onderzoekt. Ook in de drie afdelingen die op de eerste volgen, trakteert de dichter ons op allerhande onvermoede mogelijkheden, maar tegelijkertijd op minstens evenveel onverwachte gevaren. In strakke distichons, in formuleringen uit één stuk, dringt Solvanger ons de wetten van zijn wrange universum op: we kunnen onszelf en elkaar haast eindeloos uit elkaar schroeven en weer in elkaar zetten, we kunnen ons met mutaties en mutilaties tegen onze menselijke beperktheden teweer stellen, maar echt ontsnappen aan waanzin en sterfelijkheid, het zit er niet in. Of zoals het slotgedicht beschrijft: je kunt alles wat je weet op een grote hoop bijeenrapen en in brand steken, maar als roetdeeltjes daalt het weer neer tot je stikt in wat je probeert te vergeten.

    Solvanger bouwt in Met het hoofd onder de arm met bouwstenen die hem vertrouwd zijn voort aan wat een fascinerend oeuvre aan het worden is, en kleine verschuivingen houden daarbij de spanning erin. Iets meer Daniil Charms (/Toon Tellegen) nu aan de ene kant, iets meer Edgar Allan Poe aan de andere: het absurde kan zich soms van z’n komische kant tonen, maar heeft deze hele bundel lang ook steeds iets werkelijk dreigends en beklemmends, iets uiterst onaangenaams, iets ijzersterks.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2013
    RecensentThomas Möhlmann
    Editie2014-2