Recensies

  • Het volume van een logé

    Annemieke Gerrist
    Het volume van een logé

    Ik heb een huis gevonden

    Er schuilt een logica in de gedichten van Annemieke Gerrist (1980), die in 2008 debuteerde met de bundel Waar is een huis. In haar tweede bundel Het volume van een logé staat de regel: ‘De grond is zeker, ik was aan het slapen.’ Toespraken en veelal korte, titelloze gedichten vullen deze bundel, die met name via de titel een conceptuele grondslag heeft. Annemieke Gerrist wil in haar gedichten iets neutraliseren, een zeker ongemak aangaan. Dat ongemak komt het sterkst tot uiting in een logé bij een gastgezin. Dichter is ze: ‘Met elke slag duw ik de zee naar achteren, de zee die in mijn armen past.’ Maar Gerrist is geen dichter zonder beeldend werk te maken en een journalistieke inslag te hebben. Monter bekijkt ze de wereld waar haar figuren in rond stappen. Ze geeft ruimhartig passanten het woord in haar werk. Er is een vrouw bij ‘het diner van de lagereschoolreünie’ die wijst naar ‘een hol van viltstift’ en die zegt dat god daar woont. Soms leidt die bereidwilligheid de medemens te ondervragen tot clichés: de zwarte kleren van Madame Bovary geeft de dichter die hier als interviewer optreedt een ‘zwaar gevoel’. Vaker zijn het grappige regels die haar stijl kenmerken en de mensen iets cartoonesk geven. ‘Hij stak wat sla in zijn mond,’ staat er dan, of ‘er ligt een blonde dokter op de vloer’. Er zit iets prettig ronds in het gegeven dat de man die op de maan een vlag plantte in de krant leest dat die vlag is omgevallen en de maanschoenen in een museum ‘het maanstof nog in de naden’ hebben.

    Veel bij Gerrist is een kwestie van regie. ‘Als wij een deur openhouden, houden wij een handvat vast,’ stelt ze. Als het werk is afgelopen klapt een vrouw ‘met haar handen boven de lege kopjes’. Het eerste woord dat een kind leert spreken is een ‘rond ding’ in de mond. Een ‘natte bedding zorgt voor een drassige plant’. Zelfbewust maakt de dichter talige grapjes op het randje: ‘in deze folder kun je zeilen’ of ‘Ik zit met een jurk op een stoel’. Een interview in een tijdschrift zegt het een en ander over het verblijf in het huis waar dat tijdschrift ligt. Die regie houdt de zaken bijeen: ‘Een stad past in de lijnen van je hand/ en je hand past makkelijk in een broekzak.’

    Het fraaiste gedicht uit de bundel bevat een motto van Rogi Wieg dat stelt dat het eenvoudig is een ander te zijn en allesbehalve bevreemdend. Die gedachte zet Gerrist door in het gedicht waarin iemand piano speelt naast een man die in zijn handen klapt – en wat ze hoort stuk klapt, terwijl er een meisje in de piano zit dat haar aankijkt. Die nuchter beschreven gedaanteverwisselingen hebben op zich niets vreemds, beklijvend is wel de taal: ‘Als het hier gaat sneeuwen worden alle toetsen wit/ Als ik dan ga lopen kan ik zien waar ik heb gelopen’.

    ‘Haal me weg, ik heb hier een huis gevonden,’ zegt de logé die in de gedichten aan het woord is. Die regel is een kernzin voor Gerrist. In de ‘toespraak voor het midden van het leven’ gaat het om het oversteken van een drukke weg, waarbij het staan een soort uitrusten is, tot plotseling de weg vrij is. Iemand zet een paar passen met de handen in de lucht, dat is een mooi gezicht. Minder sterk is het als stoelen met mensen worden vergeleken, al is de uitdrukking ‘ik zit hier met hout in de rug’ raak. Uiteindelijk gaat een logé weg en komt ook niet meer terug, maakt geen deel uit van het gezin. Dan volgt dit understatement: ‘Iemand die sterft maakt de stilte wel stiller’. De monterheid van Annemieke Gerrist heeft naklank. Op de vraag van wie het water in de zee is, antwoordt ze ‘van de oceaan’. En: ‘je kunt de doden niet ontmoeten want ze herkennen je niet/ Als je omkijkt zijn ze weg.’

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2014
    RecensentErik Lindner
    Editie2014-2