Recensies

  • Nachtboot

    Maria Barnas
    Nachtboot

    De boot die niets vervoert dan nacht

    Maria Barnas is een dichter met een scherp waarnemingsvermogen. Niet verwonderlijk wellicht voor een dichter die ook beeldend kunstenaar is. Ze kijkt naar de werkelijkheid en ziet in het alledaagse het mysterie. Ze is gefascineerd door wat we niet meteen kunnen vatten, maar net zo goed door wat we tot het dagelijkse rekenen. En die alledaagsheid is wel vaker onheilspellend. Neem het openingsgedicht, het eerste van een cyclus die Nachtboot heet, de titel van de bundel. Daarin ziet de ik-figuur ‘een schip dat het diepste zwart/ vervoert’. En dat werkt beklemmend: ‘Het is het donker van verblinden/ die zo lang zwemmen in een cel/dat zij kleuren zien of vinden.’ We nemen niet alleen waar om te kunnen functioneren, maar ook om er zin aan te geven. Misschien raken we daardoor verblind en denken we dat alles kleurrijk moet zijn. Maar zo zit het leven niet in elkaar. Altijd kan onheil ons overkomen. En uiteindelijk schepen we allemaal in op dat schip dat het diepste zwart vervoert. In de slotregels lezen we: ‘De vracht die door het water sleept/ bewaakt wat nog moet komen. Altijd// eerder dan ik dacht en later vaart/ de boot die niets vervoert dan nacht.’

    Zoals filosoof Merleau-Ponty in zijn fenomenologie van de waarneming, is Barnas in deze bundel gefascineerd door het ambigue verband tussen het subject en de, zoals Merleau-Ponty het formuleert, ‘raadselachtige wereld die we in een glimp ontwaren en die ons onophoudelijk blijft achtervolgen.’ Wellicht is dat de reden waarom we in deze bundel meerdere gedichten terugvinden die over de relatie tussen de waarnemer en het waargenomene handelen. Het gaat ook om het spanningsveld tussen subjectiviteit en objectiviteit. Volgens Merleau-Ponty doen de waarnemer en het waargenomene aan uitwisseling met elkaar en gaan ze een verbinding aan. Het subject overschouwt de tijd vanuit zijn eigen tijdelijkheid. Kan het subject de tijd dan wel kennen? In het derde gedicht van de openingscyclus lezen we: ‘Ik vraag niet what is the time/ omdat ik bang ben dat wie het horloge draagt// zal gissen naar de aard van tijd/ om uit te weiden over onkenbaarheid/ in het algemeen.’ Taal schiet tekort om de tijd en bij uitbreiding de werkelijkheid te kunnen vatten: ‘Er valt sneeuw en er valt gesproken sneeuw.// Er valt sneeuw/ in onbeholpen vlokken uit mijn mond.’

    In een ander gedicht omschrijft Barnas de realiteit als ‘het schip werkelijkheid’. Ook al willen we wel eens op iets anders inschepen en een ander leven uitproberen, we zijn de passagiers van dit bestaan: ‘Soms haal ik een hoge/ klank die nu herkenning voortbrengt/ en dan een klacht en dat is hoe ik me in de schijn// van dit leven groot houd althans rechtop/om te blijven zinspelen op mogelijkheden/ van een ander bestaan.’ Maar natuurlijk zijn er de verbeelding en de speelsheid van de geest, om de realiteit om te buigen en de tijd te hertekenen. In ‘Toekomsten’ lezen we: ‘Geloven dat ik een tijdreis maak// als ik de tunnel in fiets en er anders/ uit tevoorschijn kom. Ook/ als mijn hoed afwaait.// Dit zou voor een toekomst door kunnen gaan/ herhaal ik opdat het waar gaat klinken.’ En hoe zit het met het idee om een vis te worden en op die manier ‘tegen de tijd te leunen’? Maria Barnas doet dit voorstel in het prachtige gedicht ‘Afkomst’: ‘Als wij vervolgens de blik op de omgeving / richten vallen de kleuren als niet eerder// waargenomen nee waaieren dat wentelt/ in die druppelvormige vis.’ Dit doet denken aan de notie van ‘decreatie’, die de Amerikaanse dichter Anne Carson in haar gelijknamige bundel met korte gedichten, proza en een theatertekst Decreation (2005) gebruikt. Het gaat om een poging het ik uit het zelf te bevrijden. Ik moet trouwens bij de lectuur van haar poëzie wel vaker aan Carson denken, omwille van de specifieke zin voor humor die Barnas, ondanks alle lichte tragiek in haar gedichten, heeft.

    Wat kan poëzie? Veel en tegelijk weinig. Maria Barnas schrijft ‘Poëzie’, met een allusie op ‘Ga naar huis Poëzie’ van H.H. Ter Balkt in haar gedicht ‘Idealen’ niet toevallig met een hoofdletter, als iets wat finaal onbereikbaar is. De ik-figuur wordt net door het onbereikbare voortgedreven: ‘Ik lees dat Poëzie zich ophoudt achter de bergen/ die ook ergens moeten zijn.// Zo tekent zich een landschap af./ Ik zie daar een figuur in gaan.// Het begint te dwalen langs beken en bruggen/ als een oog misleid door een geschilderd landschap.// Ik zal wel die gestalte zijn die liefde zoekt/ in de vorm van een lichaam./ Zo word ik gedreven.’

    Hoe heerlijk verontrustend is het om op deze Nachtboot van Maria Barnas in te schepen.

    UitgeverVan Oorschot
    Jaartal2018
    RecensentPaul Demets
    Editie2018-3