Recensies

  • Hier kijken we naar

    Hannah van Wieringen
    Hier kijken we naar

    Op zoek naar een eigen stem

    Nadat ze twee jaar geleden was gedebuteerd als verhalenschrijver (De kermis van Gravezuid), kwam Hannah van Wieringen (1982) begin dit jaar met haar poëziedebuut: hier kijken we naar. En ja, het is zeker een bundel om naar te kijken, want wat een prachtige voorkant heeft dit boek! De illustratie van een onbestemd wezen met twee poten en de vleugels van een vlieg, dat ergens in de ruimte zweeft, geeft al direct een duidelijke indicatie dat we hier geen bundel in handen hebben met nuchtere, down to earth-poëzie. De hoofdletter- en interpunctieloze gedichten zijn soms verrassend en Van Wieringen etaleert dikwijls een grimmig soort humor. Een gedicht met de titel ‘sterfbed’ opent bijvoorbeeld met de regels: ‘ik wil heel graag van je winnen/ met werkelijkheidsmemory’.

    hier kijken we naar is een gevarieerde bundel: gedichten die sterk afhankelijk zijn van de klankeffecten (‘wij hebben ons niet-aflatend op het uitzicht afgeworpen neergelaten’) staan naast parlando gedichten waarin een al dan niet vermakelijke gedachte wordt verwoord (‘liefde is/ niet weggaan// zo simpel is het soms/ een leven lang’). Surrealistische beelden (‘dan materialiseren we uit vochtig parelende wolken’) staan naast litanieën die de indruk moeten wekken in een flow te zijn geschreven: ‘zusje lief zusje maak geen fout hou je tong in je mond oog sterk’.

    Je hebt duivelskunstenaars die alle typen poëzie kunnen schrijven, die een zo rijk palet aan stemmen en technieken beheersen dat ze wel vier dichters lijken te zijn - en allevier goed. Bij Van Wieringen heb ik eerder het idee dat de variatie een gevolg is van zoeken, imiteren en uitproberen. Dat is natuurlijk een manier om je eigen stem te vinden, maar het maakt van hier kijken we naar een bundel die ik eigenlijk pas over vijf jaar, in de rijpe variant, zou willen lezen.

    Het merendeel van de gedichten in deze bundel bevalt bij eerste lezing. Van Wieringen heeft mooie beelden en dat maakt de kennismaking prettig:

    terwijl jij

    jij bent een zwijgend meisje op een open veldje
    jij bent een danspas op stilte
    jij bent een vlieger in de vorm van een zwaluw
    zacht klapperend boven je haar in de wind

    dit is wat ik bedacht
    ik hees me in dit bomenpak
    en dein dit naar je vanaf de kant

    Tegelijk maakt dit soort stapelingen van beelden (het is zeker niet de enige in deze bundel) de herlezing een beetje vermoeiend. Of laat ik het preciezer zeggen: juist de overvloedigheid van de beelden verraadt het gebrek aan precisie, aan spanning ook, en ook valt bij herlezing op hoe onhandig sommige beschrijvingen zijn. ‘aanzwellend omgevingsgeluid/ overlopend in een jachtige hartslag’ is bijvoorbeeld zo’n regel die vooral bedoeld is als regieaanwijzing voor de lezer, en die niet zozeer zelf iets uitdrukt (nog los van de rariteit van het ‘overlopende’ geluid). Of neem ‘we kijken schichtig onderzoekend om ons heen’, dat is er ook zo een: we kijken schichtig, óf onderzoekend - niet allebei tegelijk.

    Van Wieringen is met deze bundel inmiddels genomineerd voor de C. Buddingh’ prijs en ik stel me zo voor dat de jury niet goed om deze bundel heen kon: hij valt, hoe je ook wendt of keert, op. Of Van Wieringen de prijs ook wint, hangt af van de waarde die de jury aan haar eigen debuutprijs hecht. Is het een bekroning van de meest gerijpte nieuwe stem in de poëzie of is het een aanmoedigingsprijs? Alleen in het laatste geval verdient Hannah van Wieringen het de Buddingh’ prijs te winnen.

    UitgeverHarmonie
    Jaartal2014
    RecensentEdwin Fagel
    Editie2014-2