Recensies

  • Wonderbra's & pepperspray

    Andy Fierens
    Wonderbra's & pepperspray

    & de dichter is een ampersand

    De nieuwe bundel van Andy Fierens, Wonderbra’s & Pepperspray, is een rijke bundel waarin straattaal, neologismen en verwijzingen naar de hedendaagse mediacultuur niet worden geschuwd. Fierens schetst een wereld die bol staat van uiteenlopende, kleurrijke dingen. Het verbindende element in deze wereld is hijzelf: Andy Fierens – een dichter en performer die zichzelf omschrijft als ‘het buitenbeentje van de Vlaamse literaire wereld’.

    Dat Andy Fierens een performer is, wordt vanaf de eerste bladzijde duidelijk. De lezer wordt uitgenodigd, nee, gesommeerd plaats te nemen: ‘zit!/ de voorstelling begint’.

    Dat eerste gedicht begint, enigszins theatraal, met een haardroger die ‘als een revolver’ tegen de slaap is geplaatst. Als ‘een boze wolf met astma’ klinkt het ding. Fierens zet zichzelf in het gedicht neer als een verwarde actieheld en dicht: ‘niks kan mij raken ik draag een kogelvrije huid’. De dood is echter niet ver weg. Spreeuwen zitten op elektriciteitskabels ‘als de partituur van een dodenmars’ en om de vier seconden oefent hij zijn laatste ademzucht. Een rijkdom aan beelden in het eerste gedicht, waaronder het zeer geslaagde beeld van die spreeuwen – dat zet de toon voor de rest van de ‘voorstelling’.

    In deze voorstelling blijkt Fierens een dichter die het, ondanks de vele vrije vormen waarin hij zijn gedichten giet, vooral van zijn vent-zijn moet hebben: een bebaarde beatnik die op het podium zijn mannetje staat en het publiek vermaakt met een ironisch geladen spraakwaterval aan taal- en beeldvondsten.

    Dat blijkt onder meer uit het volgende fragment van (wat de schijn heeft van) een generatiegedicht, maar uiteindelijk vooral over de dichter zelf gaat.

    onder grote meneren leven er velen die
    didly squat beloven en jack shit doen

    de besten van mijn generatie lopen
    ieder weekend het gras te maaien

    De besten van zijn generatie hebben de vechtlust verloren, maar Fierens staat er nog, fier en stevig, met twee benen op het podium het woord te verkondigen. Weliswaar als een ‘houthakker/ met een bostraumatisch stresssyndroom’, maar hij staat nog overeind en slamt en hakt en schmiert en rekent, enkele regels verderop, af met de boom als ‘heilige metafoor’ door deze te vergelijken met een ‘nachtegaal/ met volgekakte longen’. Dan dicht hij:

    ik wacht op de eerste messias die zo eerlijk is om te zeggen
    nee het succes heeft mij niet veranderd
    ik ben altijd een klootzak gebleven

    Deze hardheid deelt de dichter niet met de kleine jongen op zijn schoot, want, zo schrijft hij: ‘ik lieg tegen de kleine jongen op mijn schoot/ wanneer hij vraagt/ papa als ik groot ben krijg ik dan hoogtevrees?’

    De gedichten van Fierens zijn, zoals je van een ervaren performer mag verwachten, ware rollercoaster rides. Het publiek wordt meegevoerd in zijn gedachtegang en voortdurend, door een onvoorziene wending of spitsvondigheid, verrast. In een zee van mensen werpt Fierens bijvoorbeeld geen atoombom maar een ‘fantoombom’. En vrouwen willen sterven voor hun man zodat hij de ‘defibrivibrator’ kan testen.

    Een ritje in een achtbaan kent hoogte- en dieptepunten – zo is het ook gesteld met de vondsten van Fierens. Als Rambo vuurt hij, vanuit de heup, zijn kalasjnikov met vondsten af en hij schiet zo lang niet altijd raak. Op een podium werkt het oogsten van ohs en ahs door middel van een snelle opeenvolging van vondsten beter dan op papier. Een luisteraar kan de tijd niet stilzetten. Een lezer, daarentegen, kan naar believen bij de individuele regels blijven hangen.

    De ironie waarmee Fierens in het introductiegedicht stelt dat niks hem kan raken, omdat hij een kogelvrije huid draagt, vliegt in het volgende gedicht uit de bocht. In ‘god bless dupoint chemical company and napalm’ wordt een vrouw opgevoerd die ‘een softenon wil baren’, want ‘die zijn het mooist’. Bij een voordracht leidt dit in de zaal wellicht tot ongemakkelijk gegniffel, want: “Oh zoiets zeg je toch niet.” Op papier doorzie je dat die zin er enkel staat om het schokeffect. En zo is het met wel meer van de vondsten van Fierens gesteld: het zijn soms kunststukjes, als in een circusvoorstelling vooral bedoeld om te laten zien hoe knap het kunstje is.

    Fierens formuleert krachtige zinnen en schrijft meeslepende voordrachten, maar een bundel goede gedichten vraagt om meer aandacht dan het in lucide toestand ritmisch opsommen van vondsten – niet alle gedichten van Fierens zijn dan ook even overtuigend. In zijn ongeslepenheid blijft Wonderbra’s & Pepperspray echter wel een spannende bundel: je weet immers nooit of de volgende zin je een briljantje, een muilpeer of een paardenvijg serveert. Wonderbra’s & Pepperspray is een avontuurlijke reis door de wereld van een opmerkelijke dichter – een weinig samenhangende wereld waarin die dichter zelf (zoals de ampersand in de titel) als verbindend element optreedt.Won

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2014
    RecensentPim te Bokkel
    Editie2014-2