Recensies

  • Graafschade

    Peter Drehmanns
    Graafschade

    Poëzie uit het Outlet Center

    Gerrit Krol schreef ooit een gedicht ‘Klassefoto’ waarin hij melancholisch het lot van zijn vroegere klasgenoten beschrijft. In Graafschade doet Peter Drehmanns het hem na, dat wil zeggen: in plaats van daadwerkelijk naar een schoolreünie te gaan, beschrijft hij aan de hand van een klassenfoto het fictieve lot van zijn voormalige klasgenoten. Echt een schrijvershouding dus: de verbeelding overheerst de realiteit.

    Anders dan Krols gemengde klassenfoto bestaat die van Drehmanns uit louter jongens; helaas, ben ik geneigd te zeggen, want jeugdige lustgevoelens, puberale hormonen, toch de mest van de poëzie, ontbreken daardoor grotendeels. Anderzijds vermoed ik in deze pure mannenwereld daardoor meer identificatie en potentiële zelfportretjes van de schrijver zelf dan bij een gemengd gezelschap het geval zou zijn geweest.

    Wie er in de praktijk achter al die namen schuil gaan interesseert ons natuurlijk niet, ze vertegenwoordigen mogelijke levens en vormen daarmee een soort hedendaags palet aan carrières en levenskeuzes. Wat komt er van deze generatie terecht? Zoals in het geval van ‘Ger Theunissen’, prototype van de betekenisloze mens zonder al te veel antecedenten, een kleurloze figuur, door Drehmanns voorgesteld als iemand aan wie het leven onrecht heeft gedaan:

    Weet wel: ik zit in mijn stoel
    met miskende tepels en afgefikte vleugels
    niet doodgeboren maar gewoon
    ontoelaatbaar onteerd.

    Hoe dieper je graaft in een mensenleven, hoe lulliger het lijkt. Zelfs een schijnbaar middelmatig, niet al te ongelukkig bestaan, wordt in Drehmanns versie een toonbeeld van niksigheid, ‘Gé Litjens’: ‘daarom werk ik/ al 24 jaar op de centrale boekhouding/ van de gemeente Roermond naar eer/ en geweten en vorig jaar heb ik meegedaan// aan fietsen tegen kanker.’ De vlotten, de verlegenen, de populairen en de nerds, ze staan hier allemaal bij elkaar.

    Meer sociogram dan poëzie heeft Graafschade wel wat weg van een uitzending van ‘Man bijt hond’, alledaags Nederland betrapt, met dien verstande dat Drehmanns het grotendeels uit z’n duim zuigt. Hij is als het ware de poppenspeler van zijn voormalige klas. Ook zijn eigen lot beschrijft hij als regisseur, in ‘Peter Drehmanns’:

    gaande de jaren liet hij zijn leven
    gecontroleerd uitbranden
    en alles werd spoor werd
    monsterlijk zichtbaar:

    ik
    tegen het licht
    gehouden met mijn mottenvleugels.

    Schrijven als een manier om je leven gecontroleerd te laten uitbranden met achterlating van je sporen, het is in elk geval fraai geformuleerd.

    Intussen kun je Graafschade op twee manieren lezen: als eenvoudige, maar rake portretkunst, maar ook als maatschappelijk tijdsbeeld: dit zijn onze dromen en illusies, onze missers en teleurstellingen. Een groter, existentieel verband geeft Drehmanns er niet aan en dat vind ik jammer, anderzijds dwingen zijn poëtische biografietjes ons om tussen de regels door te lezen en er een soort comedie humaine in te ontwaren. Met als sluitstuk het gedicht over Meester Menten die na al die beloftevol dan wel gedesillusioneerde mannenlevens op zeker moment geconfronteerd wordt met ‘íneens de meisjes, o die meisjes// met twaalf lentes al grammaticaal/ ontaard zodat de jongens tussen/ lijdend en meewerkend voorwerp/ heen en weer holden.’ Dus toch nog even de fatale muze die om de hoek komt kijken.

    Graafschade is fantasie, je vraagt je af in hoeverre de geportretteerde personages zichzelf in hun beschrijvingen zouden herkennen. Van het meest alledaagse (Stan Derix: ‘daar veeg ik/ nu al vier jaar met succes/ snoeppapier en blikjes en peuken aan de kant) is literatuur gemaakt, eenvoudige literatuur maar niettemin, het is in de adelstand verheven. Anderzijds is de literatuur hier wel heel diep afgedaald tot in de magazijnen van het Design Outlet Center in Roermond. En ook dat is een bijzonder gezicht.

    UitgeverMarmer
    Jaartal2014
    RecensentRob Schouten
    Editie2014-2