Recensies

  • Blauwe hemel

    Kreek Daey Ouwens
    Blauwe hemel

    Adembenemende slordigheid

    In een van de eerste gedichten in de bundel Blauwe Hemel van Kreek Daey Ouwens heeft een man een kat op zijn schoot. Hij zegt: ‘Als ik/ opsta, om iets te drinken te halen, blijft/ ze liggen op de warme plek die ik achterliet.’ Dat beeld klopt niet. Want als de kat blijft liggen, kan de ik niet opstaan. Staat die op, dan de kat ook, waarna ze kennelijk weer gaat liggen op de plek waar de ik heeft gezeten. Zo moet het gegaan zijn. Maar het staat er niet.

    Dergelijke dingen gebeuren vaker in Blauwe Hemel. Neem bijvoorbeeld: ‘Ergens stroomde/ een kraan. Stroomde en klotste.’ Een kraan klotst niet, denk ik dan. Het kan zijn dat je ergens bent en overal in het gebouw om je heen van alles uit de leidingen klinkt, waaronder klotsen. Maar om dan te zeggen dat de kraan klotst... Ouwens lijkt ook vaak uitleggerig. In een gedicht wordt eerst getoond hoe een echtpaar over straat loopt. De vrouw zegt: ‘Wij.’ ‘Wij hebben het goed.’ ‘Wij/ hebben de tijd.’ Waarna Ouwens het beeld nog even uitlegt: ‘Wat ze eigenlijk/ zegt is:’.

    De vraag of deze losheid, slordigheid en uitleggerigheid een probleem zijn, is minder eenvoudig te beantwoorden dan u wellicht denkt. Ouwens bedrijft ze zo opzichtig en consequent, dat dat wel overtuiging moet zijn. De recensent kan daarom niet volstaan met het aantonen van de ‘fouten’, maar moet, als hij de bundel op de knieën wil krijgen, aantonen dat de overtuiging niet deugt. Ik zou moeten betogen dat een dichter per se precies en zorgvuldig moet zijn in zijn taalgebruik en altijd het showing, not tellingprincipe moet huldigen. Ik ben daar niet toe bereid. We hebben in Nederland al genoeg brave redacteurspoëzie, we snakken mijns inziens naar wat meer dichterlijke onverantwoordelijkheid.

    En Ouwens’ onbeholpenheid wérkt, verrassend vaak. Blauwe Hemel vertelt een verhaal, over meneer Danie en zijn vrouw, een ouder echtpaar, en Danies gedroomde minnares Larissa (het meisje van de groenteboer). Eenvoudige mensen. Dat die niet altijd even trefzeker formuleren, is logisch. De personages in de films van bijvoorbeeld Mike Leigh blinken ook zowel in hun uiterlijk, hun handelingen en hun teksten uit in onbeholpenheid, onoriginaliteit en communicatief onvermogen. Juist daarin komt, gaandeweg en onnadrukkelijk, het werkelijke drama van het verhaal bovendrijven. Ook in Blauwe Hemel is er een Groot en Onnadrukkelijk Drama. Een drama dat letterlijk in het openingsgedicht blijkt te staan.

    Blauw is de hemel,
    en blauw is de wind.
    Blauw is het kind.
    Blauw het kind.
    Blauw is het kind. Zo blauw
    is de wereld. Het schild.

    In eerste instantie las ik eroverheen. Dit is poëzie, dus ‘er staat niet wat er staat’, dacht ik. Maar zoals de hemel letterlijk blauw is, blijkt het kind dat ook te zijn. ‘Het kind’ komt steeds terug in de bundel, bijvoorbeeld hier:

    Meneer en mevrouw Danie gaan naast elkaar
    liggen in bed. Ze kijken in het donker.
    Het donker vertoont zolang ze kijken een
    stille pijn. Dat is de pijn vanbinnen.
    De pijn ligt in het midden van het bed,
    niet op de bodem. De pijn heeft zo veel
    kleren aan dat hij over de stoel hangt.
    De pijn is naakt, houdt de kleren in zijn
    handen. Het zijn de kleren van het kind.

    Het kind staat voor ‘de pijn’, en dat heeft alles te maken met de blauwheid van dat kind. Het is namelijk dood. Doodgeboren. Blauw dus van het zuurstofgebrek. Dat maakt niet alleen de hemel zuurstofloos blauw, maar ook de wereld. En dat zuurstofloze fungeert als een ‘schild’ tussen Danie en zijn vrouw, maar uit zich ook bijvoorbeeld in het uitblijven van werkelijke toenadering van Danie tot Larissa. Het is een schild van zuurstofloze, verstikkende sociale onmacht. En buiten adem kun je niets anders zeggen dan wat als eerste in je opkomt.

    Blauwe Hemel is een hoogst merkwaardige leeservaring. Deze rationalisatie doet daar niets aan af. Het is dan ook lastig om al te stellig te beweren dat de slordigheden waar de bundel vol mee staat met die rationalisatie in de hand allemaal kwaliteitspunten worden. Dat beweren is de angel uit de bundel halen. Of de bundel ‘goed’ is, kan ik u dus niet vertellen. Maar Ouwens laat zelfs de meest doorgewinterde poëzielezer naar adem happen. En dat is misschien wel een groter compliment.

    UitgeverWereldbibliotheek
    Jaartal2014
    RecensentJoost Baars
    Editie2014-2