Recensies

  • Gedurig nader

    Huub Beurskens
    Gedurig nader

    De werkelijkheid benaderen

    Wie bang is voor vergankelijkheid, kan vluchten uit de werkelijkheid. Dat is een romantisch motief. Maar Huub Beurskens is geen romanticus pur sang. De titel van zijn nieuwe bundel Gedurig nader geeft aan dat hij eerder pogingen onderneemt om de werkelijkheid voortdurend te benaderen. Met deze titel verwijst Beurskens ook naar een stichtelijk embleem van Jan Luyken uit 1711: ‘HEERE, maakt my bekend myn einde, en welke de maate myner dagen zy; dat ik weete, hoe vergankelijk ik zy’. Huub Beurskens plaatst er vormvaste vitaliteit tegenover.

    Het geloof helpt de ongelovige dichter niet, lezen we in ‘Akte van ...’: ‘Ik benijd de ware vrienden die waardig rond urn/ of kist in samenzang samenhang en bestaanszin/ vinden wanneer een van hun het dierbaarste is/ ontvallen.’ Toch laat het bovenaardse hem niet koud. In ‘Mijn onverlaat’ weet hij niet goed wat hij aan moet met een engel die bij hem binnengevlogen was: ‘Het is geen duivel, nee/ die ik kan missen. Alleen weet ik niet of/ ik hem wel zo mag: hang zo van hem af.’

    De werkelijkheid is alles en het enige, maakt Beurskens al duidelijk in het openingsgedicht, dat meteen ook het titelgedicht van de bundel is. Hij verwijst naar Aelbert Cuyps schilderij ‘Bergachtig landschap met ruiters en veedrijvers’. Had hij dit werk geschilderd, zegt Beurskens, dan was hij zich ‘gaan wijden aan bidden’, ‘dankend dat me gegeven/ werd dit zo te kunnen voorstellen als net/ echt’.

    Over de vormgegeven, geësthetiseerde werkelijkheid versus de realiteit waarin we moeten leven, heeft Beurskens het wel vaker in deze bundel. Hier verwijst hij bijvoorbeeld naar Jan Weissenbruchs ‘Stadspoort te Leerdam’: ‘De poort in werkelijkheid is al lang en breed/ verdwenen. Of ik dat betreur? Nu/ ik hier deze gave met sfeer en al heb?’ Als een mens dan al eens wil ontsnappen aan de realiteit, bijvoorbeeld door in Athene aan de rijke Griekse geschiedenis te denken en zich mythische taferelen voor ogen te laten toveren, of door gewoon op de hotelkamer op bed te liggen zappen, krijgt de ik- figuur ‘volkerenmoord, puinen,/ rook, geroep om God en van die dingen’. Er is geen ontkomen aan: ‘Was ik landschap, zou ik van de mens wegvluchten/ kunnen, die dromer die aan strand en afgrond over-/ weldigd door zijn eigengevoelens staat te zuchten.’

    Beurskens verwijst graag naar het verleden, vooral via het bekijken van kunst, al wil hij niet zeggen dat vroeger alles beter was. Hij wil geen grijs persoon zijn ‘met leesbril die melancholiek/ nog vitaliteit tracht te vinden in de platenbakken/ van een der laatste winkelzaken voor rockmuziek.’ Het verleden komt toch niet terug. Zo beschrijft de dichter de plek waar hij opgroeide: ‘Vertekende beelden? Om het even./ Al lang gerooid die bomen, gesloopt/ de kloostermuur.’ Maar zijn aandacht voor schoonheid in de kunst (Jan Weissenbruch, Johan Verspronck en Alfred Sisley komen aan bod), de literatuur (Gottfried Benn en Bertolt Brecht) en de muziek (Louis Andriessen) én zijn verbeelding volstaan om zich bijvoorbeeld een wandkleed te herinneren ‘dat boven de divan hing/ waarop zijn opa lag en sliep’ wanneer hij in Amsterdam-Oost een vrouw een kleed ziet ophouden: ‘niets sjieks,/ iets uit de machinale weeffabriek.’

    In een van de gedichten beschrijft Huub Beurskens zichzelf als een ‘jonge metaforist’. Hij zit zich als kind in de kelder af te vragen wat er gebeurt als een vlinder ‘de rups niet als verwant’ herkent, en maakt vervolgens de vergelijking met de mens: ‘hoe kan ik dan weten of ik niet net zo iets ben geweest/ of worden zal waarvan ik, wat ik ook probeer, me nooit/ een voorstelling maken kan?’ Alles verandert en dat beangstigt de dichter in ‘Erfgoed’: ‘Die angst om niet meer te bestaan, waar kwam die toch vandaan?// Maar vooral: wat heeft daar bij mijn vergaan wat aan?’ Beurskens heeft zijn verzamelde gedichten in 1997 niet voor niets de titel Bange natuur gegeven: niet alleen de dichter is bang voor de vergankelijkheid, maar die angst is ook in de dingen aanwezig.

    Beurskens’ poëzie is vormvast. Sommigen zullen dat te weinig eigentijds of onvoldoende vernieuwend noemen, maar ik denk dat Beurskens niet anders kan. De vormvastheid is niet minder dan een houvast in het bestaan. Er wordt taalmuziek gemaakt. Woorden steken elkaar aan, veroorzaken vonken op de pagina’s. Door de vele binnen- en eindrijmen wordt de inhoud voortgestuwd. Dat is iets anders dan verhaaltjes vertellen in poëzie. Uit de mond van zijn figuurcompositiedocent tijdens zijn studententijd aan de academie klinkt het als volgt: ‘Geen verhaaltjes,/ Beurskens, liever geen ogen of armen dan anekdotiek!’ Huub Beurskens vermijdt dit onder andere door neologismen te creëren, uitgebreide samenstellingen van woorden. Een woord als ‘nazomertegenvalavondzwerk’, dat is toch een werkelijkheid op zich? Wat een geluk dat Huub Beurskens die voor ons op zo’n gulle manier schildert.

    UitgeverKoppernik
    Jaartal2018
    RecensentPaul Demets
    Editie2018-2