Recensies

  • Maak plaats van mij

    Stijn Vranken
    Maak plaats van mij

    Nergens concreet

    Een stadsdichter moet concreet kunnen en durven worden. Hij moet schrijven over de stad: over de klinkers waar de straten uit zijn gemaakt en de zotten die er in verdwalen. Stijn Vranken is stadsdichter van Antwerpen en dat is vanuit dit licht bezien nogal opmerkelijk, in ieder geval voor zover dat te beoordelen is vanuit zijn bundel Maak plaats van mij. Daarin moet Vranken het vooral hebben van de slimmige abstracties en pseudofilosofische beschouwinkjes, uitlopend in een min of meer geslaagde pointe.

    Neem het gedicht ‘Vruchtbare verwarring’:

    Blind als nooit tevoren staan we steeds verder
    weg van onszelf te kijken naar hoe bovenaards
    langzaam nieuw licht nieuw leven verkent.

    Er is geen begin bekend, geen eind in zicht,
    maar soms, bij voldoende vruchtbare verwarring,
    valt alles daartussen voor altijd samen.

    Wij hebben onszelf alvast tijdig verlaten.

    De zinnen volgen elkaar min of meer logisch op en zitten hier en daar fraai in elkaar, maar in wezen is het volstrekt onduidelijk wat er nu eigenlijk gezegd wordt. Niets verklaart de blindheid in de eerste zin, noch lijkt er enige aanleiding te zijn om te spreken van iets dat ‘bovenaards/ langzaam’ gebeurt. Niet alleen omdat het onduidelijk is waar dat bovenaardse vandaan komt (in eerste instantie is er eerder sprake van horizontale verwijding), ook is er niets dat het ‘langzaam’ van dat bovenaardse verklaart. Behalve de assonantie, dan. Nog erger wordt het in de volgende strofe als de ‘vruchtbare verwarring’ geponeerd wordt, het bindsel dat deze beschouwing aan elkaar zou moeten knopen. Ook die komt echter zomaar uit de lucht vallen en gaat nergens heen. Het punt lijkt simpelweg: er zijn momenten waarop een misplaatst gevoel van helderheid je het gevoel geeft dat je het leven in haar kosmische proporties kunt doorzien. Waarom dat vruchtbaar is blijft onduidelijk: er lijkt niets zinnigs uit te ontspruiten en het is ook niet waar. Of de vruchtbaarheid moet in de pointe verwoord zijn, in het ‘tijdig verlaten’ van zichzelf van een ‘wij’. Waarmee die hele ervaring van eenheid al bij voorbaat niet mogelijk was.

    Je zou het allemaal raadselachtig kunnen noemen, maar ik heb zelf veeleer de neiging om het alsvolstrekt onbegrijpelijk en, veel erger, volstrekt oninteressant aan de kant te schuiven. In wezen hebben we met niets anders te maken dan met een buitengewoon  particuliere, nauwelijks navolgbare kosmische ervaring van de dichter. Niets meer en niets minder.

    Veel van deze bundel bestaat uit dergelijke puzzeltjes die vooral tegenvallen na ontraadseling, voor zover dat mogelijk is. Aardig zijn de beelden die hij soms voor zijn grondgedachte vindt (die ik zou samenvatten als een platte erkenning van de metafysische niets- en zinloosheid van het leven à la de verwoording van de vroege Wittgenstein: “waarover men niet spreken kunt, daarover moet men zwijgen”; inderdaad: een ironisch adagium voor een dichter), zoals: “leven, dit gat in de dood/ waardoorheen zo gretig wordt geademd”.

    Pas in het allerlaatste gedicht verlaat de dichter de neiging zich te wentelen in de abstractie even en wendt hij zich tot de fabel. We hebben gelijk te maken met het sterkste gedicht:

    Sprookje van één nacht

    Op een nacht landde er een vogel op een boom
    en vroeg hem iets te bekennen.

    Zomaar eender wat? Vroeg de boom.
    Zomaar eender wat. Herhaalde de vogel.

    De boom dacht diep na en zei ten slotte
    dat hij niets vertrouwde dat vaststond.

    De vogel glimlachte
    en kuste de boom in brand.

    Mooi. Maar in het leeuwendeel van deze bundel schuilt een ondraaglijke zelfingenomenheid en egocentrisme, misschien zelfs een onkritisch geaccepteerd solipsisme, die ik nauwelijks draaglijk vind. Iedere vorm van concreet besef van medemenselijkheid en de mogelijke betekenis daarvan ontbreekt. Dat dat in een succesvol en bevredigend stadsdichterschap kan resulteren lijkt haast uitgesloten.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2014
    RecensentMatthijs Ponte
    Editie2014-3