Recensies

  • Bezonken

    Albertina Soepboer
    Bezonken

    Bezinking

    Al zo lang er taal is, spreekt de mens in beelden, die steevast terug te voeren zijn op vertrouwde natuurverschijnselen. De zwaartekracht zorgt ervoor dat wat niet wordt tegengehouden, het middelpunt van de aarde zoekt, en omdat uiteindelijk alles valt, raakt de bodem opgebouwd uit lagen, waarbij wat het oudst is, het diepst ligt. Een afdaling in jezelf is dus een terugtocht naar je verleden, dat je kern uitmaakt. Ook de metafoor van bezinking is gebaseerd op zwaartekracht, want het goudstof van de goudzoeker, maar ook de droesem van de wijn streeft naar het laagste punt. Het bezinksel, of het nu iets goeds is of iets slechts, belichaamt een essentie. Een absolute voorwaarde is dat de vloeistof niet in beroering gebracht wordt. Bezonkenheid vereist stilte.

    Door haar nieuwe bundel Bezonken te noemen en de drie afdelingen steeds in te leiden met een proloog die ‘Dieplood’ heet, laat Albertina Soepboer (1969) zien dat ze op zoek is naar wat oud, wezenlijk en onbekend is. De drie reeksen dragen de titels ‘Kwelwater’, ‘Windstilte’ en ‘Grondstof ’, en naast deze elementen ontbreekt ook het vuur niet:

    we zien het gras branden, de overkant
    van wat je kunt zeggen houdt niet vast
    we gaan verder, de vlammen slaan in
    de potten de pannen de vuurproef door
    staan en gaan in snel vallend verband

    Alle gedichten, het zijn er zestig, ondergebracht in vijftien viertallen, bestaan uit vijf regels, alsof een numerieke structuur het ongrijpbare moet bezweren. Maar zoals uit de geciteerde regels blijkt, hebben de gedichten in feite een open en vloeiend karakter. Er wordt gerijmd, we horen assonantie en alliteratie, twee van de regels beginnen retorisch met ‘we’, maar de overheersende indruk is die van een doorlopende beweging, die al vóór de eerste regel is begonnen en na het laatste woord zou kunnen doorgaan. Soepboer isoleert fragmenten uit een alomvattend geheel.

    Wat treft zij aan op de bodem? Dijken en polders, zee en rotsen, de maan en de zon, schapen en mieren, zand en brood, vissers en bakkers, maar vooral herinneringen aan een oertijd, toen de wolven nog huilden, toen er nog engelen van ladders afdaalden en heksen nog kinderen opaten. Het is een mythische wereld vol gevaar en mysterie, waarop de moderniteit geen vat heeft gekregen:

    met een vuur moet je het bezweren
    en de priester danst de aanvangspas
    terwijl mijn geraas de meeuwen over
    stemt en hemeltergend dit zo te eten
    o, om het te zijn, en het vlees samen

    Wat hier precies bezworen moet worden blijft vaag, al wijst de context van de reeks op een stormvloed, maar het is duidelijk dat de spreker, wie dat ook is, de tekst van het ritueel voor zijn of haar rekening neemt, zonder erin te slagen deformule tot een goed einde te brengen. En waar geofferd wordt, valt het onderscheid tussen subject en object weg, gaan eten en seksualiteit in elkaar over.

    Wanneer je de gedichten afzonderlijk tot je neemt, is het niet gemakkelijk er contact mee te maken. Daarvoor zijn ze te fragmentarisch en te cryptisch, terwijl de raadselachtigheid niet wordt gecompenseerd door kernachtige formuleringen of de betovering van een strak ritme. Lees je de bundel echter als een geheel, dan ontstaat er geleidelijk een kalme golfslag waardoor je je kunt laten meevoeren, om uiteindelijk, met de spreker, ‘uiteen te vallen/ in druppels’ of aan het slot achter te blijven met de smaak van zout in je mond, ‘een wending in de wind/ een weten dat met de grond groeit’. Of, om terug te komen op de basismetafoor van de bundel, ‘het dal keert langzaam in zichzelf’. Dat is bezonkenheid.

    UitgeverAtlas Contact
    Jaartal2014
    RecensentPiet Gerbrandy
    Editie2014-3