Recensies

  • Heerlijke galop

    Pieter de Bruijn Kops
    Heerlijke galop

    Zing een vrolijk liedje

    Soms biedt Facebook een aardig uitzicht op iemands aard en stemmingen. Pieter de Bruijn Kops (1959) leerde ik er, behalve als uitgever van Nieuw Amsterdam, kennen als een collectioneur van mooie vrouwenportretten en aangename tafereeltjes. Geen politieke statements, geen kritisch of ironisch vertoon. Een levensgenieter zo te zien. Zijn debuutbundel Heerlijke galop bevestigt dat beeld helemaal. Zelden verscheen de laatste jaren een bundel met zo’n grote glimlach, zo’n lebensbejahende mildheid. Komt het omdat hij bij zijn debuut de leeftijd des onderscheids allang gepasseerd is en, als een soort Montaigne, wijs en rijp kan terugblikken? Je zou het haast zeggen. Opstand, boosheid, ja zelfs droefenis lijken hem ten enenmale vreemd.

    Opmerkelijk genoeg bekende De Bruijn Kops zich in een vorig nummer van Awater een groot liefhebber van de poëzie van Menno Wigman, toch een van onze mistroostiger dichters, maar ik denk dat die voorkeur vooral ‘s mans techniek en dichterlijke beheersing geldt. Weliswaar begint Heerlijke galop met een afdeling ‘Nacht’ maar van romantisch schwärmen met dood en duisternis geen spoor, integendeel: ‘de zon schijnt op bed en de/ maan staat te stralen/ het leven is nog maar net/ begonnen.’ En een gedicht verderop beschrijft hij het leven zelfs als een ‘bonustrack’, een welkom extraatje.

    Die optimistische, vreugdevolle stemming blijft de hele bundel intact. Soms moet je zijn gedichten savoureren om het te proeven maar hij is er ook vaak genoeg expliciet over, misschien nog matig in deze regels ‘en daarom zeg ik nooit nee/ maar weleens ja’ maar voluit in het gedicht ‘Heelallenbal’, waar zelfs de afgrondelijkheid van de kosmos hem plezier lijkt te doen: ‘nergens is een grens/ en overal iets te beleven// steeds weer heb ik dit geschreven.’

    Niets lijkt hem uit zijn evenwicht te kunnen brengen en dat komt omdat hij overal wel mogelijkheden ziet om iets anders te bekijken. In het gedicht ‘Kijk, er staan nog bomen’ lees ik ‘het gaat niet om wat ertoe doet, dat/ is het mooiste, dat het ook/ anders had kunnen zijn.’ Alternatieven te over dus, ook voor alle narigheid kennelijk.

    Tot nu toe citeerde ik de meer filosofische regels maar de essentie van Heerlijke galop ligt vooral in de verbeelding van dit chronische geluksgevoel. In het sonnet ‘Ongelezen boek’ bijvoorbeeld passeert de hoofdpersoon het volgende uitzicht:

    ik zag die haveloze lustwaranden
    die vaak staan in de buurt van een station:
    wat wasgoed op een verveloos balkon –
    de meest mysterieuze afbraakpanden

    ze glijen langzaam langs, de trein die remt wat
    je denkt: als ík daar woonde was de man
    die ‘k op zag kijken en die in z’n hemd zat
    te lezen op ‘t balkon dus ik; dat kan.

    Het doet me sterk denken aan Vestdijks gedicht ‘Zelfkant’, een ode aan de ‘halflandlijkheid’, maar De Bruijn Kops vereenzelviging met die halfbakken wereld is nog wat groter. Overigens is zo’n rijmend sonnet maar een van de vele vormen die hij beoefent. Ook wat dat betreft proef je een brede, ontvankelijke smaak in dit werk. Er zitten evengoed meer modernistische verzen tussen, soms wat hermetisch, ook wel eens parlando, iets absurdistisch hier en daar, een enkele keer een pastiche, zoals het ietwat flauwe ‘Panta rhei’: ‘Een motor op de snelweg reed.’ Flauw ja, maar toch ook wel passend, je bent nu eenmaal ook weleens melig.

    Zelfs nostalgische melancholie krijgt niet echt vat op deze poëzie. In ‘land van rembrandt en van ruysdael’ lijkt de dichter het leven en de cultuur van vroeger te bezingen, tot aan het weiland en het schuurtje aan toe maar ‘hé, waar is het schuurtje?// ja, jongen, dat is niet meer’. Het klinkt kalm en berustend. Vergaan en voortgaan is nu eenmaal ‘het lied van het leven’ zoals het elders heet. Inderdaad, alles stroomt en je kunt er maar beter van genieten zoals het haast kinderlijke einde van ‘De rijpe peer’ uitroept: ‘wat was die lekker zeg.’ Ik lees dat ook als een commentaar op de autonomistische gedachte in bijvoorbeeld Kouwenaars ‘volledig volmaakte oneetbare perzik’. Niks oneetbaar, lijkt De Bruijn Kops te zeggen, het smaakt allemaal juist heerlijk. Dat geldt trouwens ook voor de lezer; hij weet je waarlijk mee te slepen met zijn hedonisme.

    Soms zou je bijna achterdochtig worden bij zoveel juichende genietingen. Zit er geen addertje onder het gras? Is het allemaal ironie, of camp? Maar nee, je moet al een hypochonder of misantroop zijn om in deze gedichten donkere kantjes te zien: dit is poëzie zonder schaduwzijden. En dat is heel zeldzaam in de Nederlandse dichtkunst van het moment, haast een anachronisme. We moeten terug tot Hans Andreus en Cees Buddingh’ om zulke goedgemutste gedichten te vinden. Kwestie van open vizier naar de wereld, zoals de flaptekst wil. Oftewel ‘Zing een vrolijk liedje als je opstaat.../ en word wakker met een lach/ dan heb je een goeie dag.’ Pieter de Bruijn Kops meent het nog ook. Heel bijzonder en o ja, bijzonder geslaagd, dat ook.

    UitgeverNieuw Amsterdam
    Jaartal2014
    RecensentRob Schouten
    Editie2014-3