Recensies

  • Regen kosmos kamerplant

    Anne Broeksma
    Regen kosmos kamerplant

    Filmische eigen wereld

    Anne Broeksma (1987) speelt in haar debuut Regen kosmos kamerplant met de grens tussen rationaliteit en irrationaliteit. Haar gedichten lezen vaak als scènes die de wetten van onze werkelijkheid ondermijnen. Je zou zulke taferelen in verband kunnen brengen met dromen of surrealisme. Een consequentie van een dergelijke lezing zou zijn dat je Broeksma’s gedichten irrationeel zou kunnen noemen en daar is wel wat voor te zeggen, omdat veel van haar gedichten hun inhoud moeilijk prijsgeven.

    De visuele kracht van de gedichten lijkt aanvankelijk voorrang te hebben op een duidelijk ‘achterhaalbare’ inhoud, zeker in de eerste afdeling ‘Paarse heuvels en nomaden’. De gedichten daarin lezen als korte scènes rond heldere, rake beelden. In het openingsgedicht ‘Jungle’ bijvoorbeeld staat de regel ‘het lukt de kijker niet dit te begrijpen’. De lezer/ kijker krijgt het volgende verzoek: ‘Verbeeld je in een rol die past bij de omgeving.’ In de slotregel wordt gealludeerd op roffelende drums, een gouwe ouwe soundtracktruc om de spanning op te voeren: ‘Het roffelhart dat nadert klinkt versleten.’

    De verwijzingen naar film zijn treffend. Door hun beeldende kracht krijgen Broeksma’s gedichten vaak iets filmisch. Dat levert esthetisch fraaie poëzie op, waarin de sfeer per gedicht sterk neergezet wordt. Die sfeer kan, naast lichtsurrealistisch, soms ook zwartromantisch zijn, zoals in ‘ik wil een kind’:

    een kind dat weet hoe de verhoudingen liggen

    in het donker danst ze rond mijn bed
    met grote, lege ogen
    ik laat haar alleen in de nacht
    met een strofe over dappere gordeldieren
    paarse heuvels en nomaden
    en ze lacht

    De ongemakkelijke sfeer is goed neergezet. Het meisje heeft iets dreigends, maar haar moeder blijkt nog disfunctioneler te zijn. Daardoor laat het gedicht zich lezen als een parodie op moedergevoelens. Toch is het lastig om verdere grip op de inhoud van het gedicht te krijgen, zeker als het op details aankomt. De dappere gordeldieren, paarse heuvels en nomaden lijken vooral bij te dragen aan de sfeer, zonder dat ze echt uitpluisbare details zijn die voor een grote hoeveelheid extra subtekst zorgen. Ook van de andere gedichten in de eerste afdeling is het moeilijk hoogte te krijgen van de inhoud onder de fraaie visuele jas.

    In de andere afdelingen geven de gedichten hun inhoud gemakkelijker prijs. Een gedicht als ‘Het is belangrijk om in een saaie omgeving te leven’ leest bijvoorbeeld bijna als een mini-essay met een lichtsurreële twist, waarin het alledaagse leven al een kwestie van leven of dood wordt: ‘ik ben een oneetbare nachtvlinder/ onderscheid mij van de eetbare exemplaren/ door mij op het juiste moment als een debiel te gedragen.// het is belangrijk om in een saaie omgeving te leven’. Zo’n gedicht laat zien dat Broeksma’s poëzie misschien mysterieus is, maar zeker niet onbenaderbaar.

    Dat gevoel wordt versterkt doordat Broeksma’s gedichten, naarmate Regen kosmos kamerplant vordert, ook steeds rationeler over beginnen te komen, met als ‘hoogtepunt’ het noemen van de precieze geslachtsgenen aan toe (voor de liefhebber: X1X2X3X4X5/ Y1Y2Y3Y4Y5). En tegelijkertijd spreekt er uit het gedicht ‘Vogelbekdier’ een niet verder toegelichte, vermoedelijk irrationele afkeer van de antiheld uit de titel. Het arme beestje wordt op heerlijke wijze de grond ingeboord:

    Het vogelbekdier weet niet wat het is
    om de lasten van een diersoort te dragen.

    Het vogelbekdier is een onhoudbare situatie.
    Toch lijkt het vogelbekdier geen enkele aandrang te voelen
    om met uitsterven te beginnen.

    Regen kosmos kamerplant is uitstekend op een ‘horizontale’ manier te lezen: al snel beginnen bepaalde ‘lijntjes’ op te vallen, waardoor het ook gemakkelijker wordt hoogte te krijgen van de afzonderlijke gedichten. Zo’n lijntje is dat er bijvoorbeeld, indachtig het openingsgedicht, vaak vanaf een afstand wordt geobserveerd. Een ander lijntje zijn dieren, en dan vooral eigenlijk mensen die op dieren lijken. Het verschil tussen beide valt geregeld weg. Zo gaat iemand op zoek naar een uitgestorven diersoort, en ‘vond (...) sporen van mensen die speelgoed versleepten/ naar een schuifdeur door het gras’. Ook de mens als oneetbare nachtvlinder is zo’n kruispunt, waarbij de grens tussen rationeel en irrationeel opgezocht wordt. Niet zelden roept Broeksma het beeld op van de mens als een onbeholpen wezen.

    Deze lijntjes maken herlezing des te aantrekkelijker: menig lezer, uw recensent incluis, kan en zal nog een hele tijd met de bundel bezig blijven. Bovendien ontstaat er zo het gevoel dat Regen kosmos kamerplant een eigen wereld is, met een eigen logica en regels, die het verdient om verkend te worden.

    UitgeverAtlas Contact
    Jaartal2014
    RecensentMaarten Buser
    Editie2014-3