Recensies

  • Houdingen

    Sylvie Marie
    Houdingen

    Vingerafruk

    Voor een dichter is een gezonde dosis wantrouwen misschien wel de beste munitie. Argwanend en wars van gemakzucht treedt Sylvie Marie haar omgeving tegemoet met haar vierde dichtbundel Houdingen, die gevuld is met reflectieve poëzie en verrassende inzichten.

    Hoe je je verhoudt tot de ander is iets om voortdurend te heroverwegen, en vormt een belangrijk aanknopingspunt in Houdingen. De drie afdelingen zijn getiteld ‘Toestanden’, ‘Houdingen’ en ‘Uitkomsten’, en doen een bepaalde chronologie vermoeden – gebeurtenissen, reacties en resultaten als een keten. Veelbetekenend is dat de laatste afdeling slechts één gedicht telt, alsof wordt toegewerkt naar een slotsom.

    Sylvie Marie trapt af met ‘Eerst’, waarin de ik-figuur lijkt te wachten op haar lot (dan wel dé uitkomst): ‘veel vaker dan ik wil, wacht ik op bloed’. Een weinig rooskleurig vooruitzicht, hoewel er dit keer niets gebeurt: ‘los van de regen valt er niets/ vandaag’. Wat zou er zoal kunnen vallen, wat vreest de verteller? Negatieve associaties met woorden, slachtoffers of klappen dringen zich op, maar de passage doet ook denken aan een fragment uit het gedicht ‘Vallen’ uit Sylvie Marie’s eerdere bundel Zonder (2009):


    ook als wij, raken

    onze lippen de keien, proeven
    we bloed, krabbelen we
    gekrenkt weer overeind.


    De breekbaarheid heeft betrekking op de broze verstandhouding tussen twee geliefden, zo wordt duidelijk wanneer het tweede gedicht ‘Later’ een tweede speler introduceert. Het vrijen schuurt en wordt gedevalueerd tot ‘ingreep’ – in het bed een bange rat en een sidderende hond, twee dieren die niet elkaars gelijke zijn en die een ongelijkwaardige relatie symboliseren.

    Wezenlijk contact leggen blijkt nogal eens een heikele onderneming, en ook geliefden zijn niet altijd in staat elkaar op te vangen en veiligheid te bieden. Pijn, weerloosheid en angst blijven vaak doorschemeren. In het gedicht dat volgt, ‘Laatst’, lijkt het koppel nader tot elkaar te willen komen en iets terug te halen wat verloren is gegaan:

    onze massa
    opwaarts uitgemond tot vulkaan:
    gloeiend van de hitte van eerst


    De barsten die hersteld worden blijven echter zichtbaar, en in de afdeling ‘Houdingen‘ moet opnieuw positie worden bepaald. ‘Als een boeket de bladeren laat,’ vraagt de verteller zich af, ‘krijgt de vaas die het draagt zichzelf/ dan stukje bij beetje terug?’ Deze onwaarschijnlijke vergelijking impliceert het eindigen van een scheefgegroeide relatie: die tussen de verwelkende bloemen en de vaas, die niets meer was dan een meewerkend voorwerp en er enkel toe diende de ander in het middelpunt te zetten zo lang dat nodig was.

    Het is een simpel beeld, maar typerend voor de heldere en toch originele manier waarop Sylvie Marie in Houdingen haar observaties verwoordt. Daarbij richt ze haar blik afwisselend naar buiten en naar binnen. De schakelmomenten komen tot uitdrukking in het knipperen of dichtpersen van ogen of het wegzappen van rampberichten om het universum klein te houden. Passages van particuliere introspectie stapelen zich op, maar kenmerkend voor deze poëzie is dat ze ondanks de ogenschijnlijke directe begrijpelijkheid toch een diepere laag verbergt. Zo verlangt de ik naar een ziekenhuis, ‘niet om de ziekte, wel om de zwakte/ en daaraan toe te kunnen geven’. Ze erkent echter ook dat er ‘links/ rechts, onder en boven ook hulpelozen hijgen’, dat de verpleging niets om haar geeft en dat ze zoet zal worden gehouden met witbrood en yoghurt ‘op gezette tijden’. De suggestie van anonimiteit, collectieve ziekte en onderdrukking geeft het gedicht de vorm van een aanklacht, en bewijst dat de poëzie in deze bundel niet enkel naar binnen is gekeerd.

    ‘Ze lepelen me het oneetbare in’, vervolgt ze enkele gedichten verder. Je moet alles slikken, ‘slaan op het aambeeld van de verwachting’. Toch poogt de verteller zich te wapenen met verstevigde tralies, tanden als slagpinnen en haar kin als ophaalbrug. De combinatie van het lichamelijke met een middeleeuws strijdtafereel maakt dit tot een van de meest wonderbaarlijke gedichten in de bundel:

    pas op mijn tong steigeren de paarden,
    rukken ridders de kolder van hun borst.
     
    ik duim voor een schild-
    knaapje, toe,

    leg een knoopje in mijn slok.

     
    Houdingen toont een voortdurende spel tussen actie en reactie – zowel op sociaal-maatschappelijke schaal als binnen intieme relaties – en roept de vraag op of we elkaar tegenwoordig nog wel gelukkig kunnen maken. Het is iets wat telkens opnieuw onderzocht wordt. Ondanks de argwaan blijven we het contact aangaan, en het zoeken van toenadering wordt geïllustreerd door ledematen, armen, handen en vingers die zoeken, reiken, aftasten en opvangen. Een open houding, kortom, want je afsluiten om valkuilen te vermijden betekent immers ook: niet geraakt worden. En hoewel de hamer op de loer ligt die wil landen op geschrokken vlees, vraagt de ik-figuur zich tenslotte af:

    [...] hoeveel vlakker het leven is

    zonder de opluchting over de dingen die net niet
    gebeuren.
     
    beter laat ik kuilen open, verzamel ik een kraterveld.
    op afstand geeft reliëf schakeringen in kleur. 
    UitgeverVrijdag
    Jaartal2018
    RecensentElske Jacobs
    Editie2018-2