Recensies

  • Meer hoef dan voet

    Marjolijn van Heemstra
    Meer hoef dan voet

    Een ondermaats pantoffeldier

    Voor het schrijven van haar nieuwe bundel Meer hoef dan voet verbleef Marjolijn van Heemstra regelmatig in het ESA (European Space Agency) in Noordwijk. Dat is aan de thematiek van de gedichten af te zien, hoewel de nabijheid van de ruimte haar misschien wel vooral dichter bij het (denken over het) ontstaan van de aarde bracht. De bundel begint bij de oorsprong van het leven: ‘Ik ken het verhaal van kiem tot kroon, van de eerste symbiose/ tot de rechtopstaande borst, de dieren en hun echo in ons, bewaard/ in vliezen, stukken vacht en hitte rond het hart’.

    Al in de eerste gedichten is te zien dat Van Heemstra over grote, zelfs kosmische onderwerpen eenvoudig en helder kan schrijven. De tekst blijft altijd dicht bij haar eigen ervaring en wordt niet hoogdravend of gewichtig. Het gedicht ‘Un dun dip’ (de titel van een kinderliedje) beschrijft hoe kleuters de wereld waarnemen, en die directe, lichamelijke manier van waarnemen is bij de dichteres niet helemaal verloren gegaan – maar wordt wel verbonden aan een volwassen vermogen tot reflectie.

    Van Heemstra heeft een mooie, ‘ware’ manier van formuleren. Neem een beginzin als ‘mijn eerste schopte het niet verder dan een klein kartonnen bakje, te nat voor een graf’, of de bondige samenvatting van de tweede feministische golf: ‘vrouw was één van de duizend dingen die wij konden worden’. De bundel bevat daardoor vele citeerwaardige regels en strofen, zoals het slot van het openingsgedicht:

    in mij sleept een slak zich prehistorisch kalm
    terug naar het begin en een mens zich naar het einde; geen van beide
    is in zicht, alleen dit tijdelijke midden

    Doordat ze steeds dicht bij haar eigen (zintuiglijke) ervaring blijft, en die in treffende formuleringen kan overdragen, weet ze een mysterie op te roepen zonder zweverig te zijn. Bijvoorbeeld in een regel als: ‘als een glasblazer zong hij, maakte een venster van wat hem omsloot’ of: ‘in een oude geur van vacht wist ik me voor het eerst vanwege mijn soort geliefd’. Het zoeken van verwantschap met en aansluiting bij de dierenwereld – die al uit de titel van de bundel spreekt – loopt als een rode draad door de bundel.

    Van Heemstra’s werk valt ook op door haar originele manier van kijken naar ‘de dingen’, gecombineerd met haar eigen fantasie. Haar scherpe waarnemingsvermogen, gecombineerd met nadenkerigheid, strekt zich uit over de meest uiteenlopende onderwerpen. De afbeelding van een bodyscan op een vliegveld krijgt kosmische dimensies, en wordt wederom gekoppeld aan de prehistorie: ‘Een ondermaats pantoffeldier, vol zwart, verbijsterd over de omvang van mijn duisternis’.

    In een gedicht over een ‘jongen in een rafelig sportpak’ die op straat op een rooster ligt, wordt deze door Van Heemstra meegetrokken in een onverwachte beeldspraak van barbecue(vlees) en offers:

    Hij ligt als een rauwe lap boven kolen, levend vlees
    waarmee de stad haar goden gunstig stemt,
    bij zoveel overwinning moet er iemand onderuit,
    bij zoveel rechtop iemand plat

    Van Heemstra is geen dichteres van mooie papieren zinnetjes, ze weet de lezer werkelijk te raken. Ze doet dat bijvoorbeeld in het gedicht ‘Eerste zee’ (met de stellige, maar aangenaam meerduidige beginzin ‘Een zee wil ik troebel’), waarin een bijnaverdrinking aangrijpend, maar niet ‘zwaar’ wordt beschreven. Ze doet dat ook in een duizeligmakende zin als ‘soms ligt het niet aan liefde dat wat bedoeld is voor de verte uit de wind blijft, en verdwijnt’, een zin die niet helemaal te bevatten is, maar die een paar betekenisstraatjes open laat liggen en waarin het bovendien héél even lijkt of een kosmische wind langs je lezende wang strijkt.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2014
    RecensentKiki Coumans
    Editie2014-3