Recensies

  • De buitendeur

    Charles Ducal
    De buitendeur

    Het ultieme engagement

    In Charles Ducals bundel Naar de aarde, in het gedicht ‘Tot de vrouw 2‘, staat een van mijn lievelingsdichtregels: ‘Wek vijandschap// tussen mij en mijn poëzie’. De dichter spreekt de vrouw toe die hij probeert te beschrijven. Hoe beter dat laatste lukt, hoe groter de afstand tot haar. Het zegt iets over de grenzen van taal, van poëzie, maar ook over de mogelijkheid om voorbij die grenzen op een heel precaire, vaak pijnlijke wijze een ontmoeting te laten plaatsvinden. In die zin is de regel geëngageerd: ze bevestigt dat er buiten de taal een belangrijker werkelijkheid is waartoe we ons dienen te verhouden.

    De buitendeur, Ducals eerste bundel sinds zijn oeuvreverzameling Alsof ik er haast ben, leest als een poging dat engagement politiek te maken. De bundel start in de persoonlijke beklemming en isolatie die we van Ducal kennen. Zinnen onder hoogspanning, vol net niet lekker lopend ritme, net geen volledig rijm, alsof er een mens in opgesloten zit die eruit wil. Zoals in ‘Wij’, waarin een vader wordt begraven: ‘Als hij dood is zullen wij rouwen,/ zodat iedereen ziet/ hoeveel wij van hem hebben gehouden.// Ik alleen niet.’

    Hoe gaat in de titelafdeling de deur open? De dichter ligt in ‘Licht’ te ‘woelen/ in woordlagen naar een bericht’. Pas ná het schrijven ‘ging ik de straat op/ oppervlakkig en licht.’ De deur opent dus niet in de taal, maar erbuiten. Taal en werkelijkheid blijven fundamenteel in conflict met elkaar.

    De bundel culmineert in twee expliciet politieke afdelingen, waarvan ik ‘Na Auschwitz’ wil bespreken. Die afdeling over het Israël/Palestina-conflict is gebaseerd op het boek De etnische zuivering van Palestina van de Israëlisch/Joodse historicus Ilan Pappé. Wie Ducal antisemitisme wil verwijten, zoals na zijn gedicht ‘As in de mond’ dat hij als Belgische Dichter Des Vaderlands over Gaza schreef gebeurde, vindt bij oppervlakkige of kwaadwillende lezing ook in ‘Na Auschwitz’ genoeg munitie. Ook hier wordt gealludeerd aan twee antisemitische ideeën: dat de Joden zich het uitverkoren volk wanen en dat de Joden van Auschwitz geleerd zouden moeten hebben.

    Maar wie de afdeling tot die alludatie terugbrengt laat twee ongemakkelijke zaken buiten beschouwing. Ten eerste dat in de Israëlische staatsinrichting de uitverkorenheid weldegelijk besloten ligt: Joodse burgers hebben in Israël meer rechten dan niet-Joodse burgers (het ‘recht op terugkeer’ bijvoorbeeld). En hoewel het idee dat de Joden Auschwitz als een educatieve gebeurtenis zouden moeten opvatten, pervers is, is het op zijn minst tragisch dat een staat die mede als reactie op Auschwitz bestaat, thans zo veel bloed laat vloeien in een afgesloten gebied als Gaza. Wie dat miskent, miskent de complexiteit van de problematiek, neemt een misplaatst neutrale positie in en maakt een gesprek onmogelijk dat juist moet worden gevoerd.

    Dat zie je verbeeld in de ontmenselijkte relatie in ‘Laat ons praten’. Daarin graaft een ‘wij’ iemand tot zijn nek in in de betwiste grond, ‘het hoofd vrij zodat het kan spreken/ over wederzijds begrip, over vrede,’ dan volgt: ‘eerst zullen wij al onze doden tellen/ van de afgelopen tweeduizend jaar,/ u daarmee om de oren slaan’. Hier wordt niet gesproken, hier wordt afgerekend. Welk wapen wordt er gehanteerd? In het gedicht ‘Na Auschwitz 2‘ staat dit: ‘Zij die overleefden kwamen naar dit dorp,/ een beetje geminacht, maar bruikbaar/ en kregen een monument om het transport// naar de kampen uit de geschiedenis te halen/ en tot slijpsteen te maken van een volk.’ De monumentisering van Auschwitz haalt het uit de geschiedenis, ontkent zijn werkelijkheid en verandert het in een wapen.

    Hoe je ook in deze materie staat, je moet bewondering hebben voor deze woedende politieke poëzie, die positie durft te kiezen op een manier die bijna ongekend is in ons taalgebied, zeker in het concensusverslaafde Nederland. Maar er wringt ook iets. Wat, snap ik als ik Staat van beleg herlees, een lang gedicht dat de Palestijnse dichter Mahmoud Darwish schreef tijdens het beleg van Ramallah in 2002, dat even woedend is als ‘Na Auschwitz’. In dit fragment richt hij zich tegen Israëlische soldaten die een huis binnendringen:

    Jullie, die op de drempel staan, kom binnen
    en drink met ons Arabische koffie
    (Misschien voelen jullie dan dat jullie mensen zijn net als wij)
    Jullie, die op de drempels van de huizen staan,
    laat onze ochtenden ongemoeid,
    dan zullen we gerustgesteld zijn dat we
    mensen zijn net als jullie!


    Ook bij Darwish een ontmenselijkende, gewelddadige relatie. De dichter doet, in zijn lange woedende gedicht, een uitnodiging die, zou hij worden aangenomen, het gedicht omver kan werpen. Net als in Ducals regel uit ‘Tot de vrouw’ is die uitnodiging een bevestiging van het ultieme engagement: dat de wereld zelf belangrijker is dan de beschrijving ervan, en dat die wereld
    welkom is om de beschrijving overbodig te maken. Die uitnodiging mis ik in ‘Na Auschwitz’ een beetje. Alsof Ducal in zijn zoektocht naar engagement zich niet gerealiseerd heeft dat zijn oeuvre daar altijd al van doortrokken was. Het had die afdeling naast scherp en indringend ook groots kunnen maken, en dat mag je binnen een oeuvre als dat van Charles Ducal best verwachten.

    UitgeverAtlas Contact
    Jaartal2014
    RecensentJoost Baars
    Editie2014-3