Recensies

  • Zonder palet

    Wiel Kusters
    Zonder palet

    Uit het donker naar het licht

    In zijn nieuwe bundel Zonder palet definieert Wiel Kusters poëzie schrijven

    als éven denken aan je sterfelijkheid,
    omdat de dag uitblijft waarop je wacht
    (die eeuwige vertraging van de tijd,
    die het leven wil doen géven wat het bracht),

    Dichten komt dus voort uit de verbazing nog niet dood te zijn. Dat gaat verder dan de eigen dood: de vertraging van het sterven is ‘eeuwig’, en uit die eeuwige verlenging van de tijdelijkheid komt poëzie voort. Zoals de kleine jongen die, zoals Kusters schrijft in het gedicht ‘Mythologisch’, ontdekte ‘dat je met pannendeksels/ muziek kon maken – of tenminste leven.’

    Die beweging van dood naar poëzie is in Zonder palet, dat het leven van de dichter als uitgangspunt neemt, ook heel vaak een beweging van donker naar licht, én van ondergronds naar bovengronds. Zoals in het gedicht waarin Eurydice Orpheus vanuit het donker opdraagt haar te vergeten. En altijd wordt er een stukje donker mee het licht in genomen, een stukje ondergronds naar bovengronds. Ook het spreken zelf, en daarmee het dichten, wordt op die manier bezien:

    Ik moest mijzelf niet mengen in de taal,
    zij boorde zich in ieder loos verhaal,
    in iedere leegte ging zij als een gek tekeer,
    vol van zichzelf, bang voor haar wond, mijn mond.

    Alsof Kusters daarmee wil zeggen dat zijn spreken in zekere zin toevallig is. Vandaar ook dat Zonder palet als levensbeschrijving zeer fragmentarisch aandoet. De gedichten zijn alfabetisch gerangschikt en dat laat zien dat er geen onderscheid wordt gemaakt in wat er op kwam borrelen uit het stervensuitstel.

    Soms lijkt dat door te slaan in onverschilligheid. Bijvoorbeeld in zinnen die net niet volledig jambisch zijn: ‘Naar alle kanten staat de wereld open,/ zelfs je verleden ligt nog in het verschiet.’ Daar staat gewoon een ‘het’ te veel. Of in formuleringen waarin het lijkt dat Kusters zo snel tevreden was met een rijm, dat hij de krukkigheid ervan voor lief neemt: ‘Hij moest meteen naar het lab, ik gidste hem/ en zag zijn bloed zich in een buisje doen.’ Van zulke regels krimp ik een beetje ineen.

    Maar het zou de bundel tekort doen hem daar alleen op af te rekenen. Want Zonder palet staat vol uitstekende gedichten, waarin je bovendien steeds diepere lagen kunt ontdekken. In een mooi gedicht over een foto van de straat waarin hij is opgegroeid, staat dit:

    Nu ik al bijna voorbij ben
    klinkt uit de stijgende hitte een stem
    die mijn nummer roept.
    Ik kijk terug, omhoog, waar misschien
    eerder al iets bewoog.

    Klaarblijkelijk is ook het sterven zelf bij Kusters een omhoog gaan, een stijgen, en ook nog via een stem. Het leven zelf is in dit beeld gelijk aan tekst, het is iets dat door je heen gaat en dat een mond zoekt om te worden uitgesproken. Niet voor niets is even voor deze strofe deze schitterende regel te vinden: ‘Ik was nog ongeboren.’ Schitterend, omdat hij aan de ene kant verwijst naar de straat vóór Kusters’ geboorte, de straat vóórdat Kusters’ invloed daarin duidelijk is, maar tegelijk doorsijpelt in de hierboven geciteerde strofe, en mij dan zegt dat Kusters nog stééds niet volledig in die straat geboren is, dat pas zal zijn als hij er definitief uit is verdwenen met zijn dood.

    Kusters is nog niet dood, dus we kunnen daarmee aannemen dat hij in zijn poëzie nog ongeboren is. Dat er, beter gezegd, nog geen definitieve Wiel Kusters is waarover Zonder palet zou kunnen gaan. Die brengt de lezer voort, door de taal van deze bundel door zich heen te laten gaan en uit te laten komen bij zijn of haar mond. Letterlijk. Om zo niet alleen Kusters, maar ook zichzelf het leven toe te dichten.

    UitgeverCossee
    Jaartal2020
    RecensentJoost Baars
    Editie2020-2