Recensies

  • Echo Echo

    Kreek Daey Ouwens
    Echo Echo

    Glashelder zoals alleen dubbelglas

    Met een eerste echo, namelijk die van een ontmoeting, vangt Echo Echo aan: het motto van Gasham Najafzadeh, die net als Kreek Daey Ouwens in 2007 op het Poetry International Festival stond; ‘You are aware or not – I’m still not yet’. Waarvan? Dat is een onbeantwoordbare vraag; hoe moet iemand die zich ergens nog niet van bewust is, weten waarvan hij zich blijkbaar bewust zal wórden? En wat betekent dit eigenlijk: lezen we hier over verwachting of angst, of over angstige verwachtingen?

    De bundel geeft antwoord in de vorm van meermaals voorkomende woorden als ‘zwijgen’, ‘schaduw’, ‘sneeuw’ en ‘ijs’. Weer die echo’s, maar nu uit eerder werk van Daey Ouwens. Deze bundel gaat verder waar de vorige ophield, als er al iets ophield. Echo Echo volgt naadloos op Oefening in het alleenlopen (2017), alsof wie ‘alleenliep’ een gesprek met een diepe put aanging en zijn eigen antwoorden terugkreeg. De volwassene hoort zichzelf woorden in de mond nemen die een kinderkeel geleden lijken. Het kind dat onbewust de woorden van de volwassenen echoot.

    Het liefst zou je soms aan dit alles willen ontsnappen, zoals Daey Ouwens ergens anders aan het begin van de bundel formuleert: ‘Opnieuw beginnen./ Opnieuw beginnen in een wereld die niet meer is/ dan een emmer vuil bloed./ Wij spelen eromheen.’ In dit soort ogenschijnlijk eenvoudige regels blinkt de dichter uit. Een wereld die niet alleen niet méér is dan een emmer vuil bloed, maar ook: een wereld die niet meer is, die voorbij is. ‘Wij spelen eromheen.’ Niet alleen om die emmer, maar ook om wat gezegd zou kunnen woorden: de gedichten in deze bundel draaien eromheen – in de meest betekenisvolle zin van het woord; ze cirkelen om het grote onzegbare. Nog een voorbeeld:

    Ik eet een oude appel.
    Ik ben in gesprek met een voorbijganger,
    terwijl ik blijf kijken naar jou.

    Iemand snijdt een enorme schaar door de wereld.
    Altijd gedacht dat sneeuw zo gemaakt werd.

    Vijf regels. Glashelder, maar dan zoals alleen dubbelglas, want steeds vindt er een soort spiegeling plaats, een visuele echo: de oude appel, de voorbijganger, het blijven kijken. Alles is meerduidig. En dan die schaar door de wereld. Dat er geknipt wordt, met vingers – en de jaren vliegen voorbij – of in dingen: dingen die kapotgaan, levens die worden gescheiden. De sneeuw, het smelten.

    Er zijn maar weinig dichters die me in zo weinig regels weten te grijpen en die me vervolgens ook nog dagenlang vasthouden, paradoxaal genoeg terwijl alles steeds lijkt te gaan over verlies.

    De weinige woorden zeggen meer dan genoeg en de linkerpagina’s, die in de hele bundel, op één pagina na, zijn leeggelaten, dragen daar alleen maar aan bij. De witte pagina’s zijn als wanden waartegen de woorden weerkaatsen. (‘Echo’ is het enige woord dat de enige bedrukte linkerpagina siert, helemaal in het begin, nog vóór de titelpagina, die alleen met die kleine echo op links de complete titel vormt.)

    Sommige gedichten zijn bíjna letterlijke echo’s van gedichten uit haar vorige bundel: ‘één keer dacht ik aan een baby’, stond daar bijvoorbeeld. Hier, nu lezen we: ‘Een keer waren we aan zee./ Een keer liepen we samen./ Een keer namen we afscheid.// Een keer dacht ik aan een baby.’ Geen toeval, natuurlijk, dat denken aan een baby, één keer, een keer, toen er nog samengelopen werd.

    Niet veel later wordt er gesproken tegen iemand die vast tot bovenstaande wij heeft behoord: ‘Ik zal in geen enkel huis meer wonen waar jij niet bent./ Ik zal alleen nog tegen jou praten./ En jij zult opnieuw een koppel duiven voor mij kopen./ Je zult een stuk van hun vleugels afknippen, zodat ze/ niet wegvliegen.’ Sober beschreven maar onweerlegbaar weergegeven: het ongekend diepe verlangen vast te blijven houden wat was. Het steeds onvermijdelijke misgrijpen. Omdat de duiven met de afgeknipte vleugels niet meer de duiven zijn die werden gekocht. Omdat wie het vliegen wordt ontnomen, misschien wel wegvliegt in gedachten. Omdat uiteindelijk niets vast te houden is.

    Na een sprong in de tijd, of in ieder geval in de bundel, is daar nog eens sprake van, maar nu op geheel andere wijze. Een jongen is verliefd op een meisje met anorexia, hij is opnieuw verliefd op het meisje van dertien. Hetzelfde meisje dat pagina’s later niet om de boter durft te vragen en ‘nog net’ een woord binnenhoudt. Het is precies die magerte van de taal die in Echo Echo zo duidelijk spreekt: taal die compact is, voorzichtig misschien, die weinig ruimte inneemt – maar tegelijkertijd ook weer helemaal niet: want waar de woorden an sich weinig ruimte innemen, zwemmen ze wel in het wit daaromheen, waardoor ze zeer nadrúkkelijk weinig zijn.

    Het meisje stapt op de weegschaal en tilt een voet op, in de hoop lichter te zijn en net zo ondeelbaar als haar pop. ‘Dat soort dingen om jou te blijven missen.’

    Hier krijg ik nou nooit genoeg van, van deze poëzie die uit leegte en holheid echo’s laat voortkomen, die in flarden herinneringen oproept en tegelijkertijd vervormingen laat plaatsvinden. En dan heb ik het nog niet eens gehad over Melania, die zichzelf helemaal alleen voelt aan de hand van de dikke man.

    UitgeverVleugels
    Jaartal2020
    RecensentVicky Francken
    Editie2020-2