Recensies

  • Met terugwerkende kracht

    Yannick Dangre
    Met terugwerkende kracht

    Geen Porsche, alleen een loonstrook

    Een poëzielezer zou bijna gaan denken dat in Vlaanderen significant meer uitgebluste huwelijken zijn dan in Nederland. In 1910 schreef Willem Elsschot de klassieker ‘Het huwelijk’, en in 1987 verscheen Charles Ducals gelijknamige debuutbundel, waarin op spottende wijze alle romantiek rond de echtverbintenis de kop in werd gedrukt. De jonge dichter Yannick Dangre (1988) wijdde in zijn debuut Meisje dat ik nog moet (2011) een afdeling aan een uitgeblust huwelijk: ‘Onze woonst’. In zijn nieuwe bundel, Met terugwerkende kracht, werkt hij die thematiek een bundel lang uit.

    Volgens de achterflap van Met terugwerkende kracht zijn de twee hoofdpersonen van de bundel een man die tegen zichzelf praat, en een vrouw die over zichzelf praat. Zo’n opzet kan in flauwe sitcomachtige taferelen resulteren, maar gelukkig loopt Dangre niet in die val. De kletsgraagheid van de vrouw wordt bijvoorbeeld op subtiele wijze geïllustreerd: de gedichten waarin zij aan het woord is, zijn wat langer dan die van haar man. Dangre toont zich een relatief ingehouden dichter, die het bloemrijke taalgebruik van zijn debuut grotendeels heeft afgezworen. In Meisje dat ik nog moet maakten gewichtig taalgebruik, Grote Woorden en het geregeld verwijzen naar de mythologie van de Klassieke Oudheid namelijk een archaïsche indruk.

    Voor wie dat debuut heeft gelezen is de ‘nieuwe Dangre’ wennen. Het openingsgedicht is vernoemd naar datingsite Lexa.nl. Het gedicht lijkt eerder door Menno Wigman geschreven te zijn. Welhaast klassieke melancholie in het moderne computertijdperk, en ook het binnenen halfrijm van de gedichten doet sterk aan Wigman denken. Neem nu bijvoorbeeld de eerste twee strofes van ‘Lexa.nl’:

    Elke weekdag weer dat alwetende licht van je pc.
    Google. Facebook. Niemand roept. Toch zit je
    tot diep in de nacht op profielen te broeden, 
    kies je honderd hobby’s en stiefkinderen
    uit – namen, zoveel namen zonder huid.
    Je schudt het hoofd, hoopt nog steeds
    op die ene vrouw die je leven losknoopt.

    Ook in andere gedichten komt soms de invloed van Wigman sterk naar voren, maar eerlijk is eerlijk, er is slechter vergelijkingsmateriaal. De uitvoering is ook uitstekend. Dangre voegt bovendien een fijn ingrediënt toe door geregeld van zijn realistischere koers af te stappen en een wat ‘dichterlijker’ beeld door zijn gedichten te gooien. Een sterk voorbeeld is de scène waarin de vrouw haar zoon vertelt:’‘meisjes, ze zijn dan twaalf [beginnen] hun moeders [...]/ op te rapen. Steeds valt er een stukje van hen af/ [...] en nemen dochters trots/ hun vormen over.’

    Naarmate de bundel vordert, wordt de kloof tussen de man en vrouw steeds groter. Zoals gezegd heeft de vrouw grote moeite met haar lichamelijke verval. De man herinnert zichzelf vooral steeds aan zijn mislukte dromen, en ziet zijn jongere ik terug in zijn zoontje van negen: ‘[hij] wil nog steeds een leeuw/ worden.’ De conclusie is even pijnlijk als realistisch: ‘Geen roem// of poen of Porsche. Alleen een loonstrook/ die met je hoogmoed spot en een zoon/ die maar geen koning wordt.’

    Ook de kinderen van het stel laten hun licht over de situatie schijnen: ‘Vader, knarsetandend in alle talen,/ eet zijn gedachten van glas/ waardoorheen wij naar hem staren/ als naar dovend vuur.’ Bij Elsschot was het nog alleen de man die zijn ongenoegens deelde, maar in Met terugwerkende kracht komt het hele gezin aan het woord. Door de kinderen bij de impasse te betrekken worden de gedichten nog drukkender: iedereen lijdt onder de situatie. Door die sterke sfeerschetsen laat Dangre zien dat hij in Met terugwerkende kracht iets bereikt heeft wat hem in Meisje dat ik nog moet niet lukte: de lezer daadwerkelijk beklemmen.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2014
    RecensentMaarten Buser
    Editie2015-1