Recensies

  • Sanatorium

    Vrouwkje Tuinman
    Sanatorium

    Dringend een grap verzinnen

    In de nieuwe bundel van Vrouwkje Tuinman is het steeds de vraag wat er zal winnen: de verschrikking of de nonchalance.

    De gedichten gaan over verval, ziekte, dood en wanhoop in het algemeen, maar de bundel heet Sanatorium en zou dus een oord van genezing moeten zijn, of minstens van langdurige zorg. Het leven is zwaar, maar Tuinmans gedichten bieden tegengif. Het tegengif van de nonchalance, dat in alle gedichten is geïnjecteerd.

    Het eerste gedicht heet ‘Ik zou ervoor tekenen’ en gaat over manieren van sterven. Je kunt bijvoorbeeld, schrijft Tuinman in de eerste regels, in één keer neervallen ‘terwijl/ je een vuilniszak verwisselt’. Een vuilniszak verwisselen is eigenlijk net als sterven, suggereert ze: het is niet leuk, maar het moet nu eenmaal gebeuren. En dan is in één keer dood neervallen best te doen. Je kunt ook op een andere manier aangenaam sterven: ‘Langzaamaan vergeten wie/ je ook alweer bent, en gaandeweg/ in slaap geraken. Andersom van hoe/ het ooit begon. Verbleken.’ De dichteres zou ervoor tekenen.

    Het is wel bijzonder hoe ze hier de dood aanlokkelijk maakt. De dood biedt bij haar geen toegang tot een hiernamaals en helpt niet ontsnappen uit de alledaagse ellende, en toch zou ze ervoor tekenen – althans, als het een beetje pijnloos gebeurt. Ongeveer zoals J.C. Bloem in ‘De gelatene’ schrijft: ‘’t had zoveel erger kunnen zijn.’

    Maar uiteindelijk is zelfs een zachte dood natuurlijk niet aanlokkelijk. De dood is vreselijk en we doen van alles om hem uit te stellen. Daar zijn we ook best goed in geworden:

    We slaan momenten over waarop
    we eigenlijk moeten sterven.
    De blaasontsteking na een dagje in
    de sneeuw. De salmonella van de bavarois.

    Ze somt het luchtig op, alsof het wel meevalt. We hebben het overleefd, tenslotte. En zo doet ze het steeds. De dood en het bijkomend leed zijn ernstig genoeg om over te schrijven, maar Tuinman gaat er nooit recht op af. Ze mengt verdriet en wanhoop steeds met een andere emotie. Bewondering, bijvoorbeeld, in het gedicht ‘Medisch wonder’: ‘Ik weet niet exact waaraan mijn vader/ uiteindelijk is gestorven, maar hij had/ echt alles. Suiker, kanker, gordelroos, koliek.’

    Of ze mengt er een spelletje als ‘ik zie ik zie wat jij niet ziet’ doorheen: ‘Mijn moeder hoort, ze hoort wat wij niet horen/ en het is een generator.’

    Er is zelfs een gedicht dat ‘Bezwering’ heet, tegen het leed van verjaardagsfeestjes waarop je met z’n allen in een kring zit ‘met een bordje slagroom in je hand’. Haar gedichten proberen eigenlijk allemaal een bezwering te zijn.

    Die nonchalance werkt soms ook wat ontmoedigend. Deze gedichten gummen alle vreselijkheden weg, waarschijnlijk in het vertrouwen dat die des te sterker in het gedicht aanwezig zullen zijn, maar zo werkt het toch niet helemaal. ‘Wie niet ziek was/ wordt het hier’, schrijft ze over het sanatorium, maar daar merk je niet altijd iets van.

    ‘Alles kan kleiner’ heet een van de gedichten. ‘Een hechting is bij mij een pleisterdraadje/ en pijn niet meer dan een apart gevoel./ Een kriebeltje.’ Alles kan inderdaad kleiner, maar op zulke momenten vertrouwt ze wel heel erg op de lezer, die zelf maar moet invullen dat het eigenlijk heel groot is waar Tuinman over schrijft.

    Juist in één van de beste gedichten uit de bundel. ‘Jubileum’, breekt ze uit dat keurslijf van de nonchalance en verzet ze zich tegen de poëtische normen die ze zichzelf kennelijk oplegt, of misschien door anderen laat opleggen.

    Je oude schooljuf schreef me dat ze je
    een echt smurfenhuis gegeven heeft.
    Hoe blij je was. Het dappere kind dat ze
    kende, ik weet niet hoe lang geleden.

    Ik hoor niet op te schrijven dat
    mijn hart breekt, want dat is geen poëzie.
    Mijn hart hoort trouwens niet te breken.
    Het is nu vijf onmetelijke jaren geleden.
    Er is een filmpje van dat huis waarop je,
    nog veel erger, er kuikentjes in stopt
    die iets verderop weer buiten naar hun
    moeder zoeken. Waar zijn ze gebleven?

    Het is te groot om op te schrijven
    en ik moet dringend een grap verzinnen.
    Iets over jou als Grote Smurf. Is het
    nog ver, Grote Smurf? Ja, nog heel ver.

    Ze hoort misschien niet op te schrijven dat haar hart breekt, maar ze doet het stiekem wel en maakt er zo alsnog poëzie van. Ook hier wil ze weer wegduiken, een grap verzinnen, omdat het ‘te groot’ is om op te schrijven, maar ze komt te laat. De grap is zo uit de lucht gegrepen, zo dun, dat hier gebeurt waar ze volgens mij de hele bundel naar op zoek is: het verdriet wegwimpelen, waardoor het juist het hele gedicht doordrengt.

    Het is een goede bundel, maar ik zou toch willen dat meer van haar gedichten aan haar eigen patroon ontsnappen.

    UitgeverCossee
    Jaartal2014
    RecensentBas Belleman
    Editie2015-1