Recensies

  • De jongenskamer

    Willem van Toorn
    De jongenskamer

    W en de jeugdherinneringen

    Willem van Toorn is inmiddels een van de langst schrijvende dichters van ons land. Zijn eerste gedichten dateren van 1960, dus bijna zestig jaar geleden. Hij heeft gestaag aan een oeuvre gewerkt dat zowel proza als poëzie omvat, en daarnaast essays, vertalingen en kinderboeken.

    De jongenskamer is een kloeke bundel (100 pagina’s) waarin Van Toorn terugblikt op zijn hele leven, waarvan de jeugdherinneringen het meest pregnant zijn. Het motto appelleert aan Perecs ‘W of de jeugdherinnering’, en in deze titel zit de hele bundel gevangen: Van Toorn identificeert zichzelf met ‘W’ (zonder punt) en maakt hem tot hoofdpersonage, ‘geboren in de ‘crisisrijke jaren 30’.

    Het is een weinig voorkomende vorm in de poëzie: een (vrij expliciete) autobiografie in dichtvorm. Eigenlijk best opmerkelijk dat dit ‘genre’ nauwelijks voorkomt. Niet minder opmerkelijk is dat de bundel, die bestaat uit gedichten of prozagedichten die de pagina nauwelijks overschrijden, als geheel ‘een gedicht’ wordt genoemd. Een lang, episch gedicht zou misschien nog eerder voor de hand liggen, maar Van Toorn kiest ervoor zijn leven in afgeronde deeltjes te beschrijven. Zo wordt het niet het massieve geheel dat een episch gedicht zou zijn. De gedichten sluiten nauw bij elkaar aan, overlappen meestal zelfs een beetje qua thema, maar er worden steeds nieuwe elementen toegevoegd. Zo wordt het leven weergegeven als een geheel van verschuivende delen.

    In de bundel klinkt de vertrouwde quasi-nonchalante, maar toch lyrische verteltoon die we van Van Toorn kennen, en het boek komt het meest tot zijn recht door het van begin tot eind te lezen. De bundel bestrijkt immers in chronologische volgorde het gehele, lange leven van Van Toorn, de vroege jeugd in Amsterdam-West, de vader die kleermaker was, de communistische ideeën in het gezin, de Tweede Wereldoorlog, eerste liefdes, een chemie-opleiding, een eenzame tijd als leraar op het platteland, de vorming van een gezin (de vrouw wordt aangeduid als ‘vrouw mhk’, wat mogelijk staat voor vrouw met het kind?) en het losbreken daaruit, literaire vriendschappen en een tweede vrouw. Met liefdesgedichten over haar eindigt het boek.

    Het particuliere van deze geschiedenis wordt overstegen doordat de hele Nederlandse (en zelfs wereld-) geschiedenis van haast een hele eeuw voorbijkomt: de crisis en de oorlog, Hiroshima (‘een nieuwe bom zo vreselijk dat hele steden wegsmelten in de onbeschrijflijke hitte’), de wederopbouw, het Warschaupact, de verloren idealen van communisme, het maatschappelijk verzet van de jaren zestig en zelfs de invoering van de AOW en de pil.

    Door het overduidelijk verhalende karakter van de gedichten is er iets interessants aan de hand met deze bundel. Want hoewel de gedichten er duidelijk uitzien als gedichten, zijn ze door hun autobiografische aard verhalender dan je doorgaans ziet bij poëzie. De poëzie balanceert precies op de grens tussen proza en poëzie. Het is geen toeval dat de dichter soms ook overstapt op de vorm van prozagedicht. Eigenlijk zijn de meeste gedichten uit De jongenskamer misschien wel het omgekeerde van prozagedichten (gedichten in prozavorm): proza in dichtvorm. Ze zijn daardoor interessant materiaal om het verschil tussen proza en poëzie te bestuderen.

    Een literatuurwetenschapper aan een Parijse universiteit leerde mij ooit in een college dat je aan poëtisch proza (bijvoorbeeld prozagedichten) goed kunt zien wat de verschillen tussen proza en poëzie zijn, wat de kenmerken van deze genres zijn: proza is vertellend, narratief; poëzie is evocatief, suggestief, raadselachtiger. Het verschil tussen ‘what actually happened’ en de persoonlijke indruk van de situatie, en vooral de manier waarop die wordt opgeroepen (met klank, ritme, beelden). Zijn stelling – die mij altijd is blijven intrigeren – was bovendien dat poëtisch proza haast zonder uitzondering betrekking heeft op deze drie domeinen: de droom, de reis en de kindertijd (of de herinnering in bredere zin). Oftewel: daar waar verhalende teksten poëtischer worden, is de droom, de reis en de kindertijd nooit ver weg. En dat geldt precies ook voor De jongenskamer, die geheel in het teken van de jeugdherinnering staat.

    Zo gaan vertellen en oproepen een mooie fusie aan in deze bundel. De mooiste reeks is zonder meer de laatste, deel II van de bundel, over bevriende dichters en Poetry International en vooral liefdesgedichten over zijn laatste vrouw. Zoals deze strofen:

    [...] Kastanjes roffelen
    van hun takken gescheurd als wild geweervuur
    op het goflplaten dak van een verre schuur. Herfst
     
    alweer. Alweer een herfst met jou
    in dit gekozen land. Je moet van tijd

    tot tijd onderzoeken wie je bent, en waar
     
    je wilt zijn: ver van het hitsige razen
    van wat voor leven doorgaat, in deze dorpse niet
    stilte maar rust, mijn lief, met jou en hier.

     

    En daarmee blijkt dat ook de liefde – niet verbazend – bij uitstek een poëtisch domein is. Misschien had de Parijse professor dat even over het hoofd gezien.

    UitgeverQuerido
    Jaartal2018
    RecensentKiki Coumans
    Editie2018-2