Recensies

  • Twee mannen spreken elkaar onopgemerkt aan

    Rens van der Knoop
    Twee mannen spreken elkaar onopgemerkt aan

    Binnen is buiten

    Het begint goed met de debuutbundel van Rens van der Knoop, met de titel. Wat zal er tussen de genoemde twee mannen gebeuren, en wordt bedoeld dat ze elkaar wel liggen of dat ze aan het begin van een gesprek zitten, en voor wie geldt het ‘onopgemerkt’: voor hen zelf of voor een derde partij, een toeschouwer, de rest van de wereld? De bundel is nog niet geopend, of we bevinden ons al in een fascinerend veld van mogelijkheden.

    Meteen bij het eerste gedicht wordt vervolgens flink gas teruggenomen. Eerst stelt de dichter zich, zoals het in het allereerste gedicht van een eerste bundel hoort, netjes aan zijn lezer voor: ‘Ik hoop − ook voor mezelf − een vreemde te zijn/ iemand die zelfs met gestrekte armen en ervaren handen niet te vatten is.’ Volgen enkele voorbeelden van de verhoopte verschijning, eindigend met ‘hij heeft oog voor sprekende details/ het zijn vooral de plaatsen waar hij niet mag komen die hem opvallen’. De vijftien volgende gedichten verlaten we nauwelijks het hoofd van de dichter en de kamer waarin het zich bevindt, af en toe wagen we ons aan een stadswandeling. Er wordt vooral veel waargenomen, herinnerd, maar het snijdt niet erg diep, misschien juist door de nadrukkelijke wens niet op één identiteit of betekenis te worden vastgelegd. ‘Ik weet dat ik voor de meesten/ een gezicht zonder duidelijke omtrekken/ en zonder karakter ben// als een liefdevol, maar vaag idee,’ schrijft hij.

    Veel in Van der Knoops universum blijkt tweeledig te zijn, wat binnen is, is buiten en wat ver weg is, is dichtbij. Maar terwijl dit ons wordt ingepeperd, blijft het even wachten tot er ook iets gaat gebeuren, in Van der Knoops wereld, in zijn taal, in zijn beelden. En dan presenteert hij ons ineens een pareltje als ‘Tot aan de vlakte’, waarin werkelijk alles klopt: niet alleen de observaties maar ook de formuleringen zijn scherpzinnig, vanuit een uiterst precieze blik op het minutieuze (‘de sporen die mijn veters/ op de grond achterlaten’) blazen windvlagen ons naar een breder stadsbeeld en klapt de wereld verder open naar een vlakte waar alle ‘veranderingen/ niet of nauwelijks op [vallen]/ er slapen honderden families’.

    Vaker echter blijft het bij een gelukte of minder gelukte beschrijving, een tafereeltje of scène, waarin Van der Knoop weigert echt iets te laten gebeuren. De dichter etaleert zijn oog voor details, maar die details wekken niet de indruk in dienst van nog iets anders te staan. Behalve allicht het geworstel met de eigen identiteit en de onvaste contouren van een tamelijk benauwende omgeving.

    In de tweede helft van de bundel wordt het wel allengs spannender: een vaderfiguur wordt geïntroduceerd, enkele tragische buurtgenoten komen treffend in beeld, sommige regels krijgen een erotische geladenheid. Toch wordt ook dit allemaal, schijnbaar doelbewust, zo vlak mogelijk bekeken en beschreven. Alles wordt een zelfde, gelatenheid ademend sfeerbeeld ingetrokken.

    Wat onderweg overigens soms afleidt, zijn de bevreemdende formuleringen, die eerder uit een zekere onnauwkeurigheid of onhandigheid lijken voort te komen dan uit bewuste pogingen om de lezer uit evenwicht te brengen. ‘Ik stel mezelf als een bergketen’, bijvoorbeeld: ik stel mezelf op? ik stel mezelf voor? ik veronderstel mezelf ? ‘De uren die ik binnenblijf ’: de uren die ik binnen doorbreng? de uren dat ik binnen blijf? Mensen die van hun mokken thee drinken en hun handen eromheen vouwen, ‘alsof het een kind is’ (en niet alsof het kinderen zijn). Details natuurlijk, maar voor een soort poëzie dat het juist van nuances en preciesheid moet hebben, wel belangrijke details. Van der Knoops dichtersblik is scherp genoeg, maar de sterkste gedichten in de bundel lijken te zijn geschreven in het besef dat alleen dáárop niet vertrouwd kan worden, dat er nog iets meer nodig is. Getuige zijn slotgedicht heeft hij zelf ook precies, en precies net nog niet, of toch, in de smiezen waar de schoen soms wringt:

    Het is het voortbewegen dat dingen langs doet gaan
    dat klinkt boeiender dan het is
    het is tweeledig en belangrijk, maar op zich niet zo interessant

    er zouden nu eigenlijk een paar mooie zinnen over de eenzaamheid moeten volgen
    die het een of andere sentiment bevredigen
    maar het langsgaan van dingen is dan op zijn best metaforisch
    en de eenzaamheid gaat de dingen voorbij.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2014
    RecensentThomas Möhlmann
    Editie2015-1