Recensies

  • Zelf

    Pieter Boskma
    Zelf

    Zoektocht naar een ‘zelf’

    Pieter Boskma heeft inmiddels een indrukwekkend aantal dichtbundels op zijn naam staan. Precies dertig jaar geleden debuteerde hij met de in eigen beheer uitgegeven bundel Virus virus, en drie jaar later met Quest bij uitgeverij In de Knipscheer, die ook werk van andere Maximalen uitgaf, alsook de programmatische bloemlezing Maximaal (1988).

    Sinds het overlijden van zijn vrouw – met wie hij zijn hele dichtende leven, meer dan 30 jaar, samen was – staat Boskma’s thematiek in het teken van haar dood. In zijn nieuwe bundel Zelf wordt de balans opgemaakt na vijf jaren van rouw:

    Na vijf jaar afzondering overzag ik mijn bestaan.
    Niet eens meer kwaad, merkte ik, en geen traan meer over

    Boskma kijkt veel om zich heen, noteert impressies – hij is sterk in natuurbeschrijvingen: ‘en oudgeel winterlicht versmelt/ wat van elkaar gescheiden leek’ – en peinst. Er is een ontwikkeling te zien naar een behoefte de periode van overheersende rouw af te sluiten, en een hervonden optimisme: ‘Zo ontstijgt men zelfs de rouw:/ men houwt zelf de treden/ van de lichttrap naar het heden’ schrijft hij, en: ‘O, herwonnen stem! O, hervonden lied’.

    De bundel is opgebouwd als een reeks zelfportretten. Deze bieden de dichter de mogelijkheid tot veelzijdigheid, iets wat Boskma goed afgaat: kameleontisch kruipt hij in verschillende huiden en toonaarden, van licht, haast op het ordinaire af, tot zwaar en barok.

    Tot de verschillende ‘zelven’ behoort ook een aantal bewonderde dichters die in Boskma’s hele oeuvre duidelijk te herkennen zijn: Slauerhoff, Lucebert, Herman Gorter (zinswendingen als ‘dat rondom te glanzen lag’, ‘een ingetogen, haast verstild verrukken’ en ‘trantelblote tinteltere lichternis’) en Martinus Nijhoff. Zo is er een variant is op de beroemde slotstrofe van Nijhoffs gedicht ‘Het kind en ik’, waarin een kind ‘al wat ik van mijn leven nog ooit te schrijven droom’ opschrijft en meteen weer laat verdwijnen:

    Alleen de geduldige papieren vulden zich, maar toen ik terug
    wilde lezen wat daarop verschenen was, trok de wind
    ze uit mijn hand en blies ze alle kanten op, tot ze
    uit zicht verdwenen. En nooit zou iemand weten.

    Boskma is ook een dichter die niet bang is voor ouderwetse lyriek (en zelfs epiek, getuige De aardse komedie). Heel wat regels in Zelf hadden ook honderd jaar geleden geschreven kunnen zijn, alleen bevatten ze hier en daar een modern elementje of uitroep. Dat is op zich geen bezwaar, maar toch roept het de vraag op of al die bewonderende invloed hem niet belemmert om een écht eigen stem te laten horen.

    Daarnaast wekt ook deze bundel weer de indruk dat Boskma’s werk, dat altijd aan de omvangrijke kant is, sterker zou zijn als de dichter zich meer zou inperken, als hij meer zou schaven en schrappen. Vooral in de lange gedichten schemert gemakzucht door. Dan valt rijmdwang in het oog, evenals ietwat flauwe vragen als ‘ach, kip of ei, wat maakt het uit?’, of een combinatie van beide: ‘Beeld uit beeld, nietwaar?/ Schilderij uit schilderij./ Kijk hierboven maar’. Of zouteloze constateringen als ‘Zo greep alles toch weer naadloos in elkaar’.

    Meer beperking en concentratie zou ook de zorgvuldigheid van de gedichten ten goede kunnen komen. In een strofe als:

    Dagen dat de koffiedamp
    in het scharlaken ochtendlicht
    danst als een gelukt gedicht.

    wordt al te makkelijk naar een mooiig woord als ‘scharlaken’ gegrepen, een regel krijgt er gauw allure van. Toch zie ik het niet voor me, dat felrode ochtendlicht, en zeker niet door koffiedamp heen gezien. Boskma grijpt hoog, maar daar hoort ook een grote veeleisendheid en precisie bij.

    Misschien is deze bundel, met het uitproberen van allerlei vormen, allerlei zelven, wel meer een zoektocht dan een vinden. Nu op naar zijn eigen, wellicht nieuw zelf.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2014
    RecensentKiki Coumans
    Editie2015-1