Recensies

  • Het wederkerige

    Anneke Brassinga
    Het wederkerige

    Weerkerende taal

    Anneke Brassinga weet als geen ander te peuteren aan en te wroeten in de taal. Het lezen van haar poëzie is daarmee behalve een poëtische, ook een etymologische ervaring. Ze diept betekenismogelijkheden op waar we ze vergeten waren. Vooral de taal is wederkerig in haar nieuwste bundel Het wederkerige.

    Brassinga verhoudt zich in de bundel nadrukkelijk tot de Romantiek. Die verhouding is met name gericht op het optimistische, speculatief-metafysische karakter van het Verlichtingsdenken. In het openingsgedicht schetst ze eerst het beeld van een schilderachtig, licht dreigend, landschap, waarna ze schrijft:

    Lichter dagen
    doorwandelde het ondermaanse toen er poëzie
    rooskleurig aan de takken hing, vrij
    als een ontluiken dat nu werkelijk ging worden
    in wederkerigheid van woorden –

    Dat optimisme van de Romantiek, hier verwoord als het vrije ontluiken van de poëtische taal die verwerkelijkt wordt, gaat echter altijd gepaard met een besef van de eigen onwetendheid. En dus vervolgt ze met: ‘nog altijd wachten schanddaad en vertwijfeling/ ons zwijgend op achter de bomen.’

    Daarmee is de toon gezet. Brassinga wil in Het wederkerige terug naar het Romantische denken om te onderzoeken wat er vandaag nog bruikbaar aan is. Wie denkt dat ze daarmee een naïeve stap terug zet in het denken over taal en werkelijkheid, vergeet dat in de Romantiek de essentie van de postmoderne gedachte reeds verborgen zit. Brassinga traceert het bijvoorbeeld in het werk van Novalis:

    Wat niemand weet, zei hij, is dat de taal,
    abstract van aard, uitsluitend zich bekommert
    om zichzelf, zoals miraculeus geopenbaard wordt
    zodra iemand maar wat kletst omwille van

    de conversatie – dan knikkeren de woorden
    in hun eigen ongehoorde glans
    om bovenaardse buit en laten zich
    daarbij door ons gepondereer niet storen.

    Wat wellicht gedateerd aandoet in het denken van Novalis is het bovenaardse niveau waarop de taal hier opereert. In wezen fungeert die taal als sleutel tot een tijdloze werkelijkheid waar wij niet bij kunnen. Het postmodernisme heeft die sleutel weggegooid en predikt het besef dat er van een tijdloze werkelijkheid überhaupt geen sprake is: er is slechts taal, die boven onze macht staat, want niet te overzien en te beheersen in haar reikwijdte. De kern van het denken van Novalis is dat taal altijd meervoudig is: wie spreekt, spreekt met en door dat onoverzichtelijke vehikel en gaat er noodzakelijkerwijs te luchtig mee om. Onbewust wordt er altijd ook een waaier aan betekenissen meegenomen en uitgesproken. Dat is een postmodern besef waar wellicht wat al te vaak te licht mee omgesprongen wordt. Vandaar ook het belang van het etymologische spel in het werk van Brassinga. Dat levert, behalve filosofische inzichten, prachtige vondsten en rake beelden op: “Yellende wattige zwenkingen van wingerdmeeuwen/ hartverscheuren roze zeepbeloverwelfde beemden (...)”.

    Dergelijke zinnen verraden een uiterst grondige en secure kennis van de Nederlandse taal die zeldzaam is geworden. Brassinga beheerst die taal als geen ander en weet haar steeds weer in een nieuw licht te plaatsen. Dat maakt dat haar poëzie soms heftig aandoet in de beeldspraak, maar toch wordt haar toon zelden te zwaar. In het tweede gedicht van de tweeluik ‘Natuurgeweld’ schrijft ze:

    Als het onder je ogen zou gebeuren.
    Als het wonder je niet nog net ontging:
    de roos bruut zich wringend
    uit de knop die openscheurt –

    je zou het amper overleven
    als moest je het licht in de ogen
    van de liefste zien breken.

    Het gewelddadige van de rozenbladeren die plots de knop waarin ze tot wording kwamen vernietigen om zich aan de wereld te kunnen tonen, dat in eerste instantie eigenlijk vooral aan geboorte doet denken, wordt hier vergeleken met het moment van sterven van de geliefde – beide in het precieze moment niet te aanschouwen.

    De dood vormt een belangrijk motief in de bundel. De dood van geliefden, maar ook het eigen sterven is steeds aanwezig. Een hoogtepunt in de bundel vormt het gedicht ‘Tak the dede’. Niet alleen omdat het knap speelt met ambigue zelfstandige naamwoorden die tot werkwoorden worden gedoopt (‘hoe meer ik minder -/ de ruimte valstrik’, ‘redeloos onding ik’), maar ook door de wijze waarop ze de paradox van de dood kernachtig weet te vangen in de tweede strofe, waar de nederlaag van het sterven tegelijkertijd de overwinning is op de steeds weer aangenomen pose van het levende lichaam. Ook hier lijkt het cliché steeds op de loer te liggen, maar wordt het tegelijk moeiteloos mijlenver weggehouden: ‘De nederlaag zal overwinning zijn op/ al mijn schijngestalten –/ om te willen wat moet:/ ontketend ontbreken.’

    Er zit iets onweerstaanbaar verleidelijks in dit werk, dat die P.C. Hooftprijs meer dan verdient.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2014
    RecensentMatthijs Ponte
    Editie2015-1