Recensies

  • Bokman

    Dean Bowen
    Bokman

    Uit gelaagde opmaak geboren

    Wat is de Nederlandse poëzie wit. Ik kan in ieder geval zo snel geen Nederlandstalige bundel noemen waarin de huidskleur van de dichter een thema is. Daarvoor moet je echt bij de Amerikaanse poëzie zijn. Bokman, het debuut van Dean Bowen, plaatst die thematiek in het hedendaagse Nederland en sluit daarmee goed aan bij de tijdsgeest, waarin de bijna spreekwoordelijke tolerantie (en onschuld) van het Nederlandse volk als mythe is ontmaskerd.

    Bowen heeft in de loop der jaren naam gemaakt op poëziepodia in binnen- en buitenland. Het was dus een kwestie van tijd dat hij door een uitgeverij zou worden opgepikt. Uitgeverij Jurgen Maas ging er met de buit vandoor en gaf de bundel een mooie vormgeving. Op de achterflap wordt een dichtregel geciteerd die het geheel inderdaad kernachtig samenvat: ‘Ik ben geboren, Dean Andrew Jake Bowen, uit gelaagde opmaak geboren’. Bokman is namelijk te lezen als een poging van de dichter om zichzelf (als onderdeel van zijn omgeving) te definiëren.

    De gelaagdheid van die onderneming is al zichtbaar in de veelvormigheid van de gedichten, maar meer nog in de structuur van de bundel. Het geheel is opgebouwd uit drie afdelingen (‘Tussenin’, ‘Terra Bella’ en ‘Chansons van de diaspora’), die op hun beurt weer zijn onderverdeeld in verschillende onderdelen. De individuele gedichten zijn eveneens in delen geknipt. Dat is hier betekenisvol omdat elk gedicht, elk onderdeel en elke afdeling een laag is die, in de poging tot die definitie te komen, wordt afgepeld. Te beginnen bij de familie, maar al snel wordt het onderwerp breder getrokken:

     

    ik neem het je niet kwalijk, maar ik neem het je kwalijk
    jouw familie had geen slaven, maar de welvaart genoten

    je schafte de slavernij af, maar deed me tien jaar langer werken
    het is zo lang geleden, maar ik zie het in je straten vereeuwigd
    het doet er niet meer toe, maar we dragen nog je namen

     

    Over dit fragment alleen al valt een essay te schrijven. Neem bijvoorbeeld het gegeven dat Bowen tegelijk zijn eigen, hedendaagse perspectief kiest als het perspectief van de slaven, generaties geleden (en tegelijk een hedendaagse ‘jij’ aanspreekt, als de slavenhouder van destijds). Dit verklaart ook de tegenstellingen (het tegelijk niet en wel kwalijk nemen, het zeggen dat het er niet meer toe doet, maar wel herhaaldelijk benadrukken dat de sporen van die slavernij nog steeds zichtbaar zijn).

    Opvallend is ook de niet erg fraaie samentrekking ‘jouw familie had geen slaven, maar de welvaart genoten’. Dit is geen incident. Bowens regels bevatten veel regels die taalkundig fout zijn of lijken en de anglicismen zijn niet van de lucht. Dat wordt in de slotafdeling ‘Chansons van de diaspora’ tot in het extreme doorgevoerd: daar lopen verschillende talen door elkaar. Het illustreert Bowens ambivalente positie ten opzichte van Nederland ook in de taal.

    ‘Ik ben bokman. Vervuild’, schrijft Bowen in ‘genesis’, een lang gedicht waarin bijna elke regel begint met ‘ik ben..’. Bokman: een woord dat associaties oproept met de duivel en de zondebok. Even verderop wordt de definitie verder ingevuld met de namen van slachtoffers van politiegeweld in Nederland.

    Subtiel is het allemaal niet, maar wel effectief. Het goede nieuws is dat Bokman een sterk debuut is dat een broodnodig geluid laat horen in de Nederlandse poëzie. Het slechte nieuws is dat Bokman laat zien dat de problematiek die we kennen van journaalberichten over de Verenigde Staten, en uit de Amerikaanse poëzie, net zo goed hier speelt. Het is kortom poëzie die iets vraagt van haar lezer.

    UitgeverJurgen Maas
    Jaartal2018
    RecensentEdwin Fagel
    Editie2018-2