Recensies

  • Nieuwe zon. Een megagedicht

    Jacob Groot
    Nieuwe zon. Een megagedicht

    Soortement paradijs, steengoeie sfeer

    Nieuwe zon, de nieuwe bundel van Jacob Groot, is een megagedicht. De ondertitel (‘Een megagedicht’) is niet alleen een gimmick: hij ironiseert de klassieke pretenties van het lange gedicht, en laat expliciet een kloof gapen tussen de epische poging om het overweldigende en veelomvattende van de wereld te tonen, en de veelheid van perspectieven waarin diezelfde wereld uiteen is gevallen. Met die kloof is meteen de centrale spanning van deze bundel gegeven: hoe kun je het nieuwe voortbrengen als het niet alleen gegenereerd kan worden door het individu, maar evengoed door de technologie en de economie? Het antwoord, en wedervraag ineen, van Jacob Groot luidt: ‘Dank je, zeg ik dan, zelfde zin, andere klank, nieuwe ander, nieuwe bank?’

    Uit de pratende toon van de hoofdfiguur van deze bundel, die zichzelf onderbreekt, hardop nadenkt, blijkt de voortdurende scepsis. De stem van de dichter is niet alleen, maar wordt omgeven door sociolingo, is een extensie geworden van andere stemmen. Door de geciteerde regel schemert natuurlijk ook Gorters opening van Mei – en de sloganisering daarvan – net als het ‘modernisme van de alledaagsheid’ van Kees Ouwens, oftewel de commodificatie en consumptie van de epifanie (Mettes) tot het elixir van onze experience (opnieuw Ouwens). Het sublieme is normaal, banaal geworden. Vandaar ook de mengeling van stijlen en registers in dit boek, die geloof ik bathos wordt genoemd: het lullige en afgrondelijke, het banale en het verhevene, het kosmische en huiselijke staan naast elkaar – ‘soortement paradijs’ wordt bij Groot ‘steengoeie sfeer’. Representatief zijn bij deze veelheid is moeilijk, maar dit fragment is kenmerkend:

    Dit alles gebeurde natuurlijk in Terra Deserta, een zonloze streek
    in de meer vergeestelijkte gebieden van het strookje kosmos
    waarop ik, na het met een primaat te hebben gedaan, het met
    mezelf begon aan te leggen met alle gevolgen van dien die vooral
    het geldelijk verkeer betroffen, want zolang je niet betaalde voor
    je genot kon je nog gewoon losgaan, het bos in, maar anders
    moest je toch kiezen of delen tot je op de bank lag als een
    gebakken peer in de handpalm van meneer de directeur

    De verwrongenheid van zulke passages heeft een komisch effect. En toch: wat is er subliemer dan een nieuwe zon? De bundel, die is opgezet als reisverslag, is te lezen als een zoektocht naar het absolute te midden van al het concrete en omringende. Niet voor niets schrijft Groot dat ‘de actualiteit orfisch [spreekt]’ en voegde hij een ‘schatplicht aan bronnen’ toe achterin het boek waarin hij enkele meesprekende stemmen vermeldt, van popcultuur tot natuurfilosofie en literatuur. Het gaat Groot niet zozeer – melancholisch – om het falen van zijn gooi naar het absolute, maar om het vinden van een nieuwe bestaanswijze, die ontworsteld is aan de alomtegenwoordigheid van het spektakel dat de zon voortdurend dreigt te verduisteren.

    Nieuwe zon is dan ook geen postmoderne fabel, waarin de uiterste vraag van de filosofie wordt gesteld wat het betekent om te schrijven in besef dat de zon ooit uitdooft: het enig overgebleven grote verhaal-dat-geen-verhaal is – het evolutionaire lot van de mensheid, product van toevalligheid en onderhevig aan de wetten van de fysica. Groot benadert de zon als project; ze is niet af, of eindig, en kan dat ook niet zijn, omdat ze voortdurend opnieuw aan de horizon verschijnt. Dat is het vitalisme van deze bundel.

    UitgeverHarmonie
    Jaartal2014
    RecensentFrank Keizer
    Editie2015-1