Recensies

  • Charles Baudelaire, Zwarte Venus

    Paul Claes
    Charles Baudelaire, Zwarte Venus

    Dansen in een gipsen pak

    Van Paul Claes verscheen onlangs een nieuwe vertaling van de invloedrijke Franse dichter Charles Baudelaire. Waarin onderscheiden zich de diverse vertalingen?

    De geschiedenis van Baudelairevertalingen in het Nederlands staat in het teken van een merkwaardige vijandigheid: vertalers die elkaar (fel) bekritiseren, en een recensent die een vertaler afkraakt. Dat begon in 1995, toen binnen drie maanden tijd twee boeketten Bloemen van het kwaad verschenen: een vertaling door Peter Verstegen bij Van Oorschot en een van Petrus Hoosemans bij de Historische Uitgeverij. Verstegen had de plek van Hoosemans bij Van Oorschot ingenomen, nadat de uitgever vond dat diens vertaling te lang op zich liet wachten. Verstegen rondde vervolgens in negen maanden tijd de hele vertaling af; opmerkelijk kort voor de 150 vormvaste gedichten, die gerust als het allermoeilijkste vertaalwerk uit het Frans kunnen worden beschouwd.

    Charles Baudelaire wordt vaak de grondlegger van de moderne poëzie genoemd. Les Fleurs du mal verscheenin 1857, en leverde een rechtszaak op wegens aantasting van de goede zeden, overigens in hetzelfde jaar als Madame Bovary, om precies dezelfde reden. Vernieuwend was Baudelaire onder andere doordat hij na de natuurlyriek van de romantici de thematiek van de grote stad de poëzie binnenhaalde en inventieve, symbolistische beelden gebruikte in plaats van vaststaande allegorieën. Zoals al uit de titel blijkt, gaan schoonheid en verderfelijkheid in zijn werk samen.

    Baudelaires strakke sonnetten vertalen is als dansen in een gipsen pak. De vertaler heeft ongelooflijk veel beperkingen waarbinnen hij de rijke inhoud moet weergeven. Baudelaires werk kenmerkt zich door een perfect evenwicht tussen strakke en vloeiende zinsbouw. Het lijkt wel alsof de vertalers de frustratie daarover op elkaar afreageerden: Hoosemans sneerde dat Verstegen klonk als ‘kalverhoest. Daar is niet alleen prozac aan te pas gekomen, maar ook clenbuterol. Werkelijk miserabel’. Verstegen schreef op zijn beurt: ‘Hoosemans overschat zijn eigen kwaliteiten schromelijk. Ik ben er van overtuigd dat ik het beter kan.’

    Venijnig was ook de memorabele recensie van Michaël Zeeman in De Volkskrant over de vertaling van Verstegen, met de dodelijke titel ‘Padampadam-padam doet de tekstverwerker’ waarin kritiek op woordkeuze, metrum en rijm werd geleverd. Het meer gefundeerde en genuanceerde stuk van Barber van de Pol (in NRC Handelsblad) zullen heel wat minder mensen zich herinneren. Ze prijst de tekstcommentaren van Verstegen, en merkt over Hoosemans op, ‘Maar wat een vernuft (...) op alle bladzijden, en wat een allure bij het bedenken van veelzeggende beelden’ – maar ook: ‘Baudelaire is beslist rustiger dan Hoosemans hem interpreteert’. Haar slotopmerking: ‘Als je deze vertalingen achter elkaar uitleest, wat niet de bedoeling is, hoopt de ergernis zich op’ geeft ook al aan dat er een probleem is met het vertalen van Baudelaire.

    Naast de vertalingen van Hoosemans en Verstegen zijn er ook vertalingen van een selectie uit de Fleurs du mal gemaakt door Menno Wigman (die hij maakte nog vóór hij als dichter debuteerde, rond zijn twintigste) en door Jan Pieter van der Sterre, die het rijm losliet. En afgelopen jaar verscheen Zwarte Venus, een nieuwe vertaling van vijftig gedichten door Paul Claes.

       



    Spanselzwart en peluwvloed

    In een essay in het zomernummer van de Poëziekrant heeft Paul Claes de tekortkomingen van de bestaande vertalingen aangewezen die zijn nieuwe vertaling zouden rechtvaardigen. In dit stuk zet hij de venijnige lijn van zijn voorgangers voort; voor iedereen heeft hij wel een passende sneer. Vertaler Peter Verstegen noemt hij ‘stroef’, en hij wijst erop hoe deze met name met het rijm een loopje neemt (hij laat ‘willen’ rijmen op ‘onverschilligs’, en ‘sabbelt’ op ‘sinaasappels’) en beperkt zich te veel tot een prozaïsche weergave van de inhoud. De niet-rijmende vertalingen van Jan Pieter van der Sterre vindt hij ‘inhoudelijk banaal’, ‘ritmisch inadequaat’ en nog ‘minder poëtisch en melodieus dan Verstegen’. Hoosemans zet hij weg als ‘kolderachtig’ en een ‘horribel voorbeeld van wat vertalen vertalen niet mag zijn’. Hij stelt dat Hoosemans ‘geilt’ op rare samenstellingen als ‘spanselzwart’ en ‘peluwvloed’.

    Een bezwaar van Claes’ aanmerkingen is echter dat hij steeds de vertaling van geïsoleerde woorden op hun merites, of voornamelijk zwakheden, beoordeelt. Terwijl juist bij vormvaste poëzie een vertaler veel inventiviteit en flexibiliteit aan de dag moet leggen om soepele, natuurlijke zinnen te creëren die de strekking van het origineel benaderen. Woord voor woord vertalen is dan beslist niet aan de orde, dat zou Claes als geen ander moeten weten.

    Vergelijking

    Hoe kan een lezer nu weten welke vertaling hij het beste kan lezen? Al lezend in de verschillende vertalingen kwam ik een aantal tendensen tegen, die mooi te illustreren zijn aan de hand van één gedicht: ‘À une passante’, dat voor dit nummer is verstript door Jan Cleijne. De plus- en minpunten van de verschillende vertalers zijn hierin behoorlijk representatief vertegenwoordigd.

    In de vertaling van de eerste zin bijvoorbeeld, ‘La rue assourdissante autour de moi hurlait’ is bij Hoosemans het ritme helemaal goed, waar bij Claes een storende metrische breuk dwars door het woord ‘straat | rumoer’ loopt: de ratio lijkt de overhand over de muziek te hebben. Bovendien is de ‘oorverdovendheid’ bij Claes afgezwakt doordat hij het tegengestelde benoemt: ‘verstomde niet’. Verstegen pakt in deze zin mooi uit met assonantie: ‘omgaf mij met haar daverend kabaal’, maar laat zich kennen in het zeer lelijke rijm: ‘kabaal en’ (met ‘dalen’), dat inderdaad vaak de kop opsteekt (ook in ‘grootheid – dood leidt’ en ‘schone – beloonde’).

    Van der Sterres vertaling is wel erg prozaïsch, té casual (‘rondom me’ en ‘verschrikkelijk tekeer’), terwijl Wigman zijn versificatietalent laat zien in een vloeiende zin met passend vocabulaire: ‘bulderde oorverdovend’ en passend archaïsch ‘langs mij henen’.





    Gebeeldhouwde benen

    In de eerste zin van de tweede strofe, ‘Agile et noble, avec sa jambe de statue’ opent Claes met een alliteratie: ‘soepel en statig’, maar opnieuw stokt het ritme vervolgens: ‘was haar been als dat van beelden’, wat bovendien een geforceerde, niet al te fraaie vergelijking is. 

    Wigman laat de benen van de schone ‘Als uit steen gesneden’ zijn, Hoosemans maakt er ‘beeldsnijwerk’ van, in een ritmisch fraai vers met twee alliteraties: ‘benen’ en ‘beeldsnijwerk’; ‘adellijk en vlot’.

    Verstegen laat de twee karakteriseringen van de benen qua register met elkaar vloeken: enerzijds het onromantische ‘op snelle benen’, anderzijds ‘met statueske grootheid’ (dat rijmt op ‘dood leidt’). De benen zijn kortom groot en snel, eerder kwalificaties die je dieren of sporters zou toevoegen, niet een beeldschone vrouw.

    Van der Sterre spreekt al te pragmatisch van ‘standbeeldbenen’ en propt twee kwalificaties (‘edel, lenig’) op elkaar die hij kennelijk niet op een andere manier met elkaar weet te verbinden. Juist in een niet-rijmende vertaling als de zijne luistert het ritme extra nauw, aangezien die in zijn geheel de muzikaliteit van het gedicht moet dragen.

    Slotzin

    Ook in de slotzin van het gedicht, ‘Ô toi que j’eusse aimée, ô toi qui le savais!’ duiken kenmerkende stijlelementen van de verschillende vertalers. In de vertaling van Claes komt het hypothetische van het verlangen niet goed uit de verf: ‘Ik had jou liefgehad’ (lijkt een voltooid verleden tijd). Verder houdt hij het wel erg nuchter constaterend bij ‘en jij hebt dat doorzien’. Het achterwege laten van uitroeptekens doet Claes (bewust) wel vaker, maar komt hier wat karig over.

    Hoosemans laat geen twijfel bestaan over de fictiviteit van het ‘aimer’, en vertaalt met: ‘Jij, die ik minnen zou’ (met een hem typerende archaïserende keuze voor ‘minnen’). Hij sluit simple en effectief af met ‘jij die het hebt gezien!’ Hij handhaaft bovendien mooi de parallellie van ‘jij – jij’.

    Verstegen gebruikt ook een parallellie, maar wel een die de weg vrijmaakt voor een staaltje Hollandse lompheid: ‘Vrouwdie ik had bemind, vrouw die dat hebt verstaan!’ De verfijnde eloquentie van een Friese boer als slotnoot van het gedicht; met een dergelijke manier van aanspreken kun je er zeker van zijn dat je het definitief hebt verbruid bij de vrouw in kwestie. 

    Van der Sterre gaat op de kleinkunsttoer met ‘Jij die mijn lief kon zijn’, waarvan het nietszeggende ‘kon’ in het tweede deel nog eens wordt hernomen in de vorm van een stoplap: ‘o jij die dat konweten!’. Menno Wigman verrast met een jazzy contrapunt: een melodieus begin met ‘O jij die ik beminnen zou’, gevolgd door een kleine rust (een weggelaten ‘o!’ als het ware), waar - door het slot extra krachtig binnenkomt: ‘Jij die dit weet!’ Een paukenslag als slot.

    En zo sta ik nu tot mijn verrassing ook met een fileermes in mijn hand. Des te vreemder aangezien ik aan de bestudering begon met een immens respect voor eenieder die zich alleen al aan Baudelaire durft te wágen. Op grond van de vergelijking van de vertaalstijlen gaat mijn voorkeur niet uit naar de vertalers met de grootste naam, maar naar de vertalers met de meest natuurlijke versificatie, en een licht archaïserend taalgebruik, dat mij bij Baudelaire niet stoort: die van Hoosemans en Wigman. In hun vertalingen lijkt iets wat ik niet anders dan de ‘ziel’ van de gedichten kan noemen, het meest te spreken en het minst belemmerd te worden door formele beperkingen van de vertaler. Het gipsen pak is het minst zichtbaar in de dans. En verder kan ik niet anders dan concluderen dat Baudelaire inderdaad het kwaad in bloemen naar boven weet te halen.




    Gebruikte vertalingen in chronologische volgorde:

    - Charles Baudelaire, De bloemen van het kwaad, vertaald, ingeleid en toegelicht door Menno Wigman, Buissant, 1989.
    - Charles Baudelaire, De bloemen van het kwaad, vertaald en van commentaar voorzien door Peter Verstegen, Van Oorschot, 1995.
    - Charles Baudelaire, De bloemen van het kwaad, vertaling Petrus Hoosemans, Historische Uitgeverij, 2001.
    - Charles Baudelaire, De mooiste van Baudelaire, vertaald door Jan Pieter van der Sterre, Lannoo/Atlas, 2010.
    - Charles Baudelaire, Zwarte Venus, vijftig gedichten uit Les Fleurs du Mal, vertaald, ingeleid en toegelicht door Paul Claes, Athenaeum–Polak & Van Gennep, 2016.
    UitgeverAthenaeum–Polak & Van Gennep
    Jaartal2017
    RecensentKiki Coumans
    Editie2017-1