Recensies

  • Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd

    Robert Anker
    Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd

    Het lege hart

    In zijn nieuwste bundel, Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd, schrijft Robert Anker over verlies. Zo schrijft hij in deze bijzonder veelzijdige bundel over een verloren jeugd, het verlies van dierbaren en het verlies van ik en taal. Hoewel de gedichten zich rond dit thema centreren, blijven ze onvoorspelbaar en springen ze als ongetemde paarden alle kanten op, van verdriet, tot weemoed, boosheid en gelatenheid, waardoor de bundel spannend blijft.

    De gedichten zijn gebonden in een duister omslag – in een landschap dat uit zwarte ecolinevlekken is opgebouwd, zit een mensfiguur met spitse oren voor zich uit te staren. ‘We weten niet wat we zien/ want we weten niet wie we zijn’, schrijft Anker. Zoals er titelgedichten zijn, zou je dit het bundelomslaggedicht kunnen noemen. Even verderop wordt er gesproken van giftige waterverf en de giftige mutatieoren van een haas. Een hallucinerend gedicht is het, waarin een verteller de grip op zichzelf en de taal verliest, zodat hij niet meer weet wat hij ziet. Dit uit zich onder meer in aspecifieke woorden als whatever – ‘een haas/ of een whatever’. Dit zelfverlies lijkt gedreven door het verdriet om het verlies dat in de bundel voorkomt; tranen verstoren het zicht, of, als we verder in de hallucinatie van het gedicht meegaan: we staren in het water naar een uitgestrooide aswolk en zien onszelf daarin.

    waar wij waren is verdampt
    dus wie daar achterbleven
    bij deze poel
    onder een wolk van as
    anders dan om alles te zien.

    De dood, volgens Seneca is het niet iets om angstig op vooruit te blikken. Hij is al grotendeels verleden tijd, schreef hij Lucilius ooit in een brief. Dat lijkt ook aan de hand te zijn als Anker schrijft dat waar wij waren is verdampt: die jongere versies van jezelf zijn niet meer bereikbaar en de herinnering eraan lost op. Mettertijd verlies je langzaam letterlijk jezelf.

    Ook in de tegenwoordige tijd van het gedicht speelt het zelfverlies een rol. Gedreven door een groot verdriet verbrokkelt het ik en verbrokkelt de syntaxis.

    In gedichten als deze wordt de lezer de grond onder de voeten weggeslagen: je weet niet of datgene wat je in de woorden leest ook echt zo opgeschreven is – de auteur en zijn bedoelingen die je vermoedde zijn verdwenen. Voorzichtig duidend tast je naar houvast, maar het is alsof je naar een inktvlek in Rorschach-test of een aswolk in het water staart.

    Trouwe lezers van Anker zullen thema’s als zelfverlies en de inzet van stilistisch atypische woorden herkennen. Die woorden breken met het verwachtingspatroon van de lezer en dwingen deze meer tijd en aandacht te besteden aan de tekst. Zo hebben ze een vertragend effect, mits de lezer doorzet en niet afhaakt. Niet elke lezer trekt de spanning die met zoveel onduidelijkheid gepaard gaat, zoals in de muziek er luisteraars zijn die de spanning van het atonale slecht verdragen. Anker flirt met de grenzen en verkeert vaak aan gene zijde van de duidelijkheid, maar schrijft in Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd ook gedichten die helder zijn en die zich laten lezen als fragmenten uit een dagboek.

    Een bundel over verlies klinkt zwaar, maar het verlies blijft draaglijk door de stilistische afstand van de dichter en de vele wendingen naar luchtigere zinnen of gedichten. Die lichtheid bevindt zich met name in het begin van de bundel. In het eerst hoofdstuk wordt licht-melancholisch gemijmerd over een gesprek over een loodgieter, botst een hommel tegen de ramen, wordt een partijtje tennis met Gorter gespeeld en pent Anker terloops een zin neer die nog dagen in mijn hoofd zat: ‘Wat is een gedachte waard als ze de taal net niet heeft bereikt’, Die terloopsheid staat qua toon en taal haaks op de powertaal die Anker in een bundel als gemraad slasser d.d.t. bezigde.

    Verderop gaat Anker aan de haal met het hart, het lege hart, het oercliché der dichters. Het zo opzichtig etaleren van Weltschmerz in deze cyclus doet eerst naïef aan, lijkt later een parodie, komt even verderop weer zelfbewust over en lijkt tenslotte weer met dodelijke ernst geschreven. Zo schrijft Anker dat “the empty heart / Le coeur de vide” zich epidemisch globaliseert. Ernstig lijkt het ook wanneer hij in de slotregels vertelt dat het niet gaat om de leegte van het hart, maar om de leegte ‘van het leven/ Dat zonder grond is, het woord is er alleen om niet/ Te vallen’. Het hart heeft aan het einde van dit gedicht geen illusies meer: de wereld had niets te bieden en het woord de wereld ook niet, want het woord is leeg. Span het op en hou het bij je, is uiteindelijk het devies – koester de illusie van het woord voor jezelf, als een gedachte die onuitgesproken blijft, denk ik, of in de vorm van een gedicht wellicht.

    UitgeverQuerido
    Jaartal2015
    RecensentPim te Bokkel
    Editie2015-2