Recensies

  • De eindelozen

    Luuk Gruwez
    De eindelozen

    O, tem mij, kus mij

    De gedichten van Luuk Gruwez, verzameld in De eindelozen, winnen aan betekenis door de aantekeningen achterin. Ik was er zelfs wel blij mee, met die aantekeningen, want ik was gaan googelen op de naam András, en raakte al gauw verdwaald in een Hongaars ondoordringbaar moeras. Maar gelukkig, daar staat het gewoon achterin de bundel: de cyclus ‘Volgens András’ is gebaseerd op ontmoetingen met de seriemoordenaar András Pándy. Gruwez vermeldt dat hij al in eerdere bundels gedichten aan hem heeft gewijd. De gedichten hier ontstonden naar aanleiding van een brief door Pándy verstuurd vanuit de gevangenis, waarin hij zichzelf vergelijkt met Medea en de aangeschrevene met Euripides. Hoe blij de laatste zou zijn geweest als hij in werkelijkheid Medea zou kunnen ontmoeten, en dat nu de dichter – ik neem tenminste aan dat de brief naar Gruwez werd gestuurd, en niet naar gans het volk – zich in een uitverkoren positie bevindt. Hij nodigt hem uit hem te komen bezoeken en met hem in dialoog te gaan, waar de dichter kennelijk op is ingegaan.

    De toelichting is best uitgebreid, bevat ook nog de gruwelijke details van de misdaden die Pándy met behulp van zijn dochter zou hebben gepleegd – hij bleef tot aan zijn dood twee jaar geleden volhouden onschuldig te zijn – maar roept eigenlijk alleen maar meer vragen op. Vanwaar de fascinatie van Gruwez voor deze man? Hoe vaak heeft hij hem ontmoet? Hoe verliepen de gesprekken? Heeft hij een briefwisseling met hem gevoerd?

    Gaan we naar de cyclus, die ongeveer een kwart van de bundel uitmaakt. ‘Slachtoffers en daders’ heet deze afdeling. Hiervóór hebben we gedichten gelezen over het slagveld in de Eerste Wereldoorlog – eerder verschenen in het oorlogsnummer van een literair tijdschrift – en gedichten die de nacht, de sterfelijkheid en het afscheid bezingen in toonsoorten die zich bewegen tussen triest en geinig, frivool en cerebraal. Nogal wat gedichten zijn bij gelegenheid geschreven, wat op zich niet hoeft uit te maken, maar wat het wel enigszins zoeken maakt naar de interne cohesie. Zo is er een gedicht opgedragen aan ‘Menno’, ik neem aan Menno Wigman, dat tamelijk anekdotisch is – ‘Wij hebben ons persoonlijk drama, het is waar,’, en eentje aan Antjie Krog, dat lichtvoetig over ‘de ziel’ gaat, die niet helemaal weet wat ze wil vandaag. Het werd geschreven – lees ik wederom in de aantekeningen achterin – ter gelegenheid van Krogs zestigste verjaardag.

    Kennen alle dichters elkaar?

    Het moeilijke van gedichten die geschreven zijn voor andere dichters is dat ze de argeloze lezer bij voorbaat buitenspel lijken te zetten. Wat moeten wij niet-dichters met deze eerbetonen, deze tongue-in-cheek-intimiteiten?

    Het sterkst in de afdeling ‘Vlees na vlees’ is het tweetal gedichten verzameld onder de noemer Equus Caballus, ‘Hippofilie’ en ‘Hipposomnie’. ‘Geen beteren onder de mensen dan/ zij die op een paard willen lijken.’ De lichte ernst van Gruwez, of de ernstige lichtheid, vindt hier zijn meest elegante vorm. Waar andere gedichten te zeer willen plezieren met een pointe, of een persoonlijke geste, blijft hier het mysterie van de paardenverlokking intact. ‘Maar paarden/ wenen niet. Zij weten. Zij snuiven staande hun ik bijeen.’

    ‘Slachtoffers en daders’ nu, bestaande uit de cycli Volgens András en Medea zegt. Eenmaal wetende wie en wat, laten de gedichten zich heel anders lezen. Wat wederom een vraag oproept: is dat een goed of een slecht ding? Idealiter heeft een gedicht geen uitleg nodig om ergens aan te appelleren. De praktijk van deze cyclus is dat de leeservaring mét en zonder informatie totaal uiteenloopt. Zonder verklarende achtergrond lees je iets abstracts over een man die sterft, begraven wordt, zich rekenschap geeft. Niet voor niets ben ik de naam gaan googelen, omdat het ook tamelijk onbetekenend bleef op deze manier. Mét de aantekeningen lees je glasheldere teksten over een moordenaar, een gek. ‘András leeft constant van verontschuldigingen/ voor alle dingen die hijzelf naar eigen zeggen/ nooit ofte nimmer heeft gedaan.’ De teksten zijn zo transparant, op het platte af, dat de poëticale winst ongeveer nul komma nul is.

    In de volgende sectie, Medea zegt, wordt de boel weliswaar opgetild, maar op een nogal voorspelbare manier. ‘Ik heb Absyrtus, mijn broertje, in mootjes/ gehakt.’ Het is het type dichtregels waarvan je je gaat afvragen waarom een regel wordt afgebroken na ‘mootjes’, en dat is nooit een goed teken. De gedragen toon van het klassieke gedicht – ‘Maar zoveel haat/ kreeg ik te dragen, die ik niet dragen kon, waardoor/ ik hem maar offerde als pasmunt voor de vleugels/ die mij driftiger voort moesten jagen.’ – wordt opzichtig opgeschrikt door hedendaagse woorden als ‘looks’ en ‘safe’.

    Naarstig zoekende naar regels die op zich betekenisvol zijn, waaraan je oog blijft haken, stuitte ik op de slotstrofe van het gedicht ‘Pelias’: ‘O, tem mij, kus mij, streel en eet mij./ Jaag nu toch eindelijk het beest eens uit mij weg.’ Zonder welke context dan ook zijn dit regels die staan, en beklijven. Niemand wordt kwaad gedaan met deze bundel, maar misschien is dat meteen het probleem ook wel.

    UitgeverArbeiderspers
    Jaartal2015
    RecensentMarja Pruis
    Editie2015-2