Recensies

  • De blanke gave

    Ellen Deckwitz
    De blanke gave

    Maagden benijden

    Wat is eigenlijk ‘De blanke gave’ uit de titel van Ellen Deckwitz’ derde bundel? Je zou zeggen dat het het water is, want deze bundel staat onmiskenbaar in het teken van dat element. ‘We wisten dat/ we er al voor/ zeventig procent/ uit bestonden’ schrijft ze in ‘Verhoudingen’ en dat is dan ook direct het helderste wat ze erover schrijft want de transparantie van water betekent bij Deckwitz niet bepaald dat je alles nu direct goed ziet. Heel wat van haar watergedichten blijven mij duister en geheimzinnig, wat overigens aan hun zeggingskracht niet veel af doet, want ondanks een zeker cognitief onbegrip proef je wel waar dit water voor wil staan: vrijheid, onschuld, oorsprong. Het is de zoveelste statie op de weg die Deckwitz sinds haar debuut De steen vreest mij uit 2011 gaat. In die bundel overheersten nog angstgevoelens die de dichters met ‘de kogel van de ballpoint’ trachtte te bezweren. Hoi feest van een jaar later daarentegen vertoonde een soms bijna hysterische drang tot vrijheid en vreugde, De blanke gave betekent in dit rijtje meer sereniteit.

    Deckwitz’ poëzie is afkomstig uit het slamcircuit maar dat betekent allerminst dat haar gedichten in de orale traditie staan en vooral voor onze oren zijn bedoeld. Integendeel, je moet ze savoureren, zorgvuldig proeven om te weten waar ze mee bezig is. Neem bijvoorbeeld het gedicht ‘De futen’:

    Ondersteboven dobberen de futen. Knalvol pret om onze
    zinkbare nesten. Tijd voor drijfvet jongens, alleen kuikens
    houden zich zo aan het droge! Waterglad en zo blauw en
    en en en en en [onvertaalbaar gesnater over handen] en
    niet te geloven dat we beide neefjes van de zee zijn!
    Jullie kleine tincturen, jullie dunne oplossingen van zaken
    te enorm om ze nog als voorland aan te halen.

    Een vrolijk en opgewekt gedicht lijkt het, maar wie direct weet waar het precies over gaat mag het zeggen. Mij dunkt dat de sleutel in de laatste regels zit: de wereld is enorm, veel te groot om jouw voorland te zijn, je kunt het alleen in verdunde, verwaterde vorm aan. Jonge, duikelende eenden en futen als metafoor voor een begrijpelijk bestaan.

    De blanke gave waar Deckwitz het over heeft, is behalve het levenbrengende water ook de maagdelijke onschuld van het kind; steeds opnieuw zoekt ze de kinderlijke staat op waarin alles nog even mysterieus als vanzelfsprekend is. Er zit een, voor zo’n jonge dichteres, opmerkelijk gevoel van hunkering naar het verleden in deze bundel, de tijd dat je nog niet alles weet. ’Geen wonder/ dat ik maagden benijd. Vermoeden is altijd beter/ dan verwekken.’ lees ik in ‘Wat een fantastische ochtend’ (ook al een soort uitdrukking voor de heerlijke kindertijd). Het is een adagium dat voor de hele bundel zou kunnen gelden, het vermoeden van betekenissen is belangrijker dan de harde zekerheid dat je alles snapt.

    Ik geloof dat Deckwitz graag met zo’n halfgeloken oog naar de werkelijkheid kijkt, om het geheim intact te laten. Die houding levert vooral ook op taalniveau interessante regels op, zoals in ‘Haarden’, een langademige, kronkelende zin vol gewaarwording en sensatie maar zonder duidelijke kern, die als volgt begint: ‘je teen stoten en het opkomen van de/ godverdomme bewijst het bestaan van/ haarden in je lijf wachten om te worden/ aangestoken door ooggetuigen dreft in je/ saucijs hoek tegen elleboog het geluid van een luchtalarm’ etcetera. Bijna een soort écriture automatique.

    Op andere momenten is het allemaal weer wat helderder, zoals in deze woorden van de vaderfiguur over het groter worden van zijn dochter: ‘je wereld werd een bal popelend/ om over de schutting te gaan// het gras groeide en overwoekerde/ en jij nam maar toe en iedereen// kromp en piepte van kom/ terug asjeblieft andere kant op’. Wat het ook is, duister of doorzichtig, een Deckwitz-gedicht zindert altijd van leven en energie.

    Ellen Deckwitz behoort tot de populairste dichters van het moment, en dat zal zeker met haar optredens te maken hebben. Maar wie goed kijkt, ziet dat ze toch vooral een dichteres van papier is. Wat je tijdens een voordracht misschien voor zoete koek aanneemt, levert je op papier hoofdbrekens op. De flaptekst doet er redelijk helder over: ‘In De blanke gave bezingen verschillende stemmen een wereld die wordt bedreigd door een dalende zeespiegel en een overschot aan panda’s’, alsof dit een bundel is over bijvoorbeeld milieuproblematiek - maar in de gedichten zelf voelt de lezer zich soms een beginner die voor het eerst in het water wordt gegooid.

    Zou het kunnen dat de dichtkunst van momenteel, na een periode van vrijblijvende babbelzucht en filosofie-light, weer wat taliger en geheimzinniger wordt? Dat zou wat mij betreft een welkome ontwikkeling zijn, die in elk geval wordt belichaamd door De blanke gave.

    UitgeverAtlas Contact
    Jaartal2015
    RecensentRob Schouten
    Editie2015-2