Recensies

  • Stadswild

    Gerry van der Linden
    Stadswild

    De dorst van jaren

    Gerry van der Lindens tiende bundel Stadswild beweegt in drie afdelingen van iets wat lijkt op depressie naar iets wat lijkt op enige omgang daarmee. Aan het woord is iemand die in het eerste gedicht, als ze een landschap was, stilte zoekt ‘in het gegil van krekels’. Ze zou ‘wolken om genade’ vragen en ‘bladeren om een voetstap’. In het tweede gedicht van deze afdeling wil ze ‘een huis openbreken’ en op een onbezette stoel aan tafel plaats nemen, ze zal eten afslaan, wijn aannemen omdat dit de sfeer veraangenaamt, maar ‘niemand zal haar vragen waarom/ ze is gekomen’ – en indien wel, dan zou ze het nog niet zeggen.

    De protagonist voelt zich van anderen afgesneden en heeft (passief) agressieve neigingen. Die agressie richt zich ook naar binnen. In ‘Rijtjeshuis’, een van de pijnlijkste en daarmee raakste gedichten van de bundel, schrijft Van der Linden:

    Elke ochtend begint ze
    onverrichter zake
    de lucht uitgewrongen
    tinkleurige koperwas

    achter de vitrages
    babywang moederborst
    een hoop aanloop
    het lijken wel beesten

    ze stompt op haar hart
    wie anders moet het doen
    ze is er nog
    het andere in haar ook

    ogen tegen het glas
    ziet ze het goed
    een volle tafel zomaar
    hoe de boel verder brast

    Met zijn sombermansthematiek wordt Stadswild gekenmerkt door drie elementen. Ten eerste door een ruime dichtheid van paradoxen. Ten tweede, en hierin schuilt de meeste kracht van Van der Lindens gedichten, is nogal eens onduidelijk waar je in deze gedichten de leespauzes moet inlassen. Neem het gedicht ‘Alentejo’ dat in de tweede afdeling ‘Mão d’Água das Amoreiras en andere Portugese gedichten’ voorkomt.

    De kurkeiken
    hebben hun zwarte kousen aan
    als een oude frivole moeder

    staan ze te wachten
    welk seizoen ze gaan bedienen
    voor zo weinig en nog minder

    strekken ze hun tenen
    zo veel gegeven zijn ze moe
    van voet en benen en enkel

    in de gestripte korst
    druipt de dorst van jaren

    De witregels impliceren dat de zinnen in het wit ophouden. Het eerste terzet zet volgens die lezing door de combinatie van frivool en zwarte sokken de geest wijd open voor een cynische interpretatie. Het tweede is als een vraag te lezen waarop het antwoord alleen maar ‘nee’ kan zijn. Het derde vraagt: bewegen ze? Waarop de reactie volgt: nee, te moe. Het gedicht sluit af met een distichon waar het jarenlange afzien vanaf druipt.

    Door de evenwichtig geplaatste witregels ogen de gedichten rustig en misschien wat bedeesd. Maar pas op! Van der Lindens gedichten kunnen listig zijn gecomponeerd. Bij het aangehaalde gedicht kun je evengoed leespauzes verwachten achter ‘aan’, ‘wachten’, ‘bedienen’ en ‘tenen’. Het gedicht kan met een beetje goede wil zowaar een stuk vrolijker geïnterpreteerd worden en daarmee maakt ‘Rijtjeshuis’ een gestalt shift van jewelste mogelijk.

    Zwarte kousen verwacht je niet bij een oude frivole moeder, logischer zou zijn dat de kurkeiken zwarte kousen aanhebben. Dat de kurkeiken (volgende zin) als een oude frivole moeder staan te wachten welk seizoen ze gaan bedienen. Te popelen lijkt het in de daarop volgende zin, want het lijkt ze geen moeite te kosten van vorm te veranderen (de tenen te strekken). Je ziet wel dat ze er moe van worden (volgende zin), maar toch druipt de gretigheid in de gestripte korst.

    Het derde kenmerk is minder positief en valt onder de noemer: dichterlijkheid. Dat, denk je wellicht, is een beetje flauw; poëzie bulkt van poëzie. Het punt is dat in Van der Lindens gedichten tegenstellingen soms wat opzichtig zijn en er nogal wat argwaanwekkende alliteraties voorkomen. Belangrijker nog is dat veel associaties voorspelbaar overkomen of zijn. Bij een gedicht over een rivier lees je bijvoorbeeld over ‘oeverloze liefdes’, al springen meer expliciete (variaties op) sleetse uitspraken scherper in het oog, zoals ‘zwaar van lijf en leden’, ‘hals over kop’ en ‘een koers om uit te raken’.

    Wat die dichterlijkheid ten slotte het meest onderschrijft is de vaagheid van haar uitspraken. Zo sterft ergens in haar gedichten een jongeman op zolder ‘zoals een jongeman sterft in een roman’. Hoe sterft een jongeman in een roman? Spoiler alert: de kwestie blijft ongewis. Ook zijn de personages eerder typen dan mensen. In ‘Dichter in het park’ aaien kinderen hun eenmansjas en ‘moeders duwen hun borsten hoog’. Wat een komisch schouwspel zou dat worden, als alle kinderen en moeders voortdurend hun kunstje doen. In weer een ander gedicht kust een kind niet zijn of, iets minder specifiek, een moeder, maar de moeder. Moeten we hier de Modron, de oermoeder lezen? Kust een specifiek kind hier dan een instantie?

    Het exemplaar dat ik ter recensie thuis heb, staat vol met krachteloze vraagtekens, die er steeds niet in slagen de gedichten in de empirische werkelijkheid te laten haken.

    UitgeverNieuw Amsterdam
    Jaartal2014
    RecensentMerijn Schipper
    Editie2015-2