Recensies

  • Die vleugels II

    Leo Vroman
    Die vleugels II

    Nieuwsberichten uit een onbekend gebied

    Ik besta, nog in leven,
    uit een warm lijf, omgeven
    door al zijn producten:
    zo’n zestig boeken gevuld
    met soms wel gelukte
    gedichten en stukken.

    Zo’n zeven decennia waarde Leo Vroman rond in de Nederlandse literatuur, haast zonder er ooit lijfelijk bij te zijn want hij woonde sinds 1947 in de Verenigde Staten. Zestig boeken schreef hij naar eigen zeggen dus. In 1974 verscheen het gedicht dat ik als eerste van Vromans verzen onder ogen kreeg in Lodewick’s literatuur van na 1916 bij ‘stijlfiguren: de asyndetische vergelijking’. De vergelijking- zonder-verbindingswoord. Ik herinner me de huivering van: ‘dit papier mijn huid’. De directheid ervan: de kracht van dat beeld, dat het papier de huid van de dichter zou zíjn.

    Kom, leg Uw hand op dit papier mijn huid
    verzacht het vreemde door de druk verstenen
    van het geschreven woord, of spreek het uit.

    Menige verzen heb ik al geschreven,
    ben menigeen een vreemdeling gebleven
    en wien ik griefde weet ik niets te geven:
    liefde is het enige.

    Aan de lange rij van Vromans dichtbundels is nu met Die vleugels II een einde gekomen. Na het lezen van deze omvangrijke bundel en terugkijkend naar bijvoorbeeld dit vers zie je hoe constant dit oeuvre uiteindelijk is.

    Die vleugels II − naar wens van de dichter een pendant gebleven van zijn laatste bundel Die vleugels − bestaat uit enkele honderden gedichten geschreven tussen zomer 2012 en 10 februari 2014. Vroman stierf op 98-jarige leeftijd op 22 februari 2014. Dit boek vormt dan ook een voor iedereen toegankelijk document van de laatste jaren van een mens. De wijze waarop hij omziet, de manier waarop hij de dood tegemoet treedt. Wat daarbij opvalt is de constante van dat stukje uit het gedicht van 1974: ‘liefde is het enige’, Vromans testament is een niet-religieus testament van de liefde. De zeer lichte toon in vrijwel al zijn latere poëzie springt echt in het oog. Waaruit bestaat deze lichtheid? Allereerst: rijm. Rijm is de bougie van Vromans dichterschap, hij zet zichzelf eenvoudig aan door middel van rijm. Zijn rijm is in dit late werk soms stuntelig of eerder: snel goed genoeg, maar levert toch weer heel vaak een verrassend beeld op:

    Ik wil niet graag meer willen.
    ik vind dat het iets heeft
    van een paard dat zijn eigen billen
    zweepslagen geeft.

    Dit is geen geslaagde strofe, maar het doet er niet toe bij Vroman, de zin in zijn hoofd ‘dat hij niet meer wil willen’ laat immers maar weinig mogelijkheden voor de derde zin. En knap is dan dat het beeld veelzeggend is: willen als jezelf voortdwingen, en daar genoeg van hebben.

    Overigens weeft Vroman er nog regelmatig moeiteloos een volmaakt sonnet doorheen. Je ziet aan de gedichten dat aardse faam of technische volmaaktheid volledig buiten Vromans aandachtsgebied liggen: hij schrijft gedichten omdat hij dat al zo’n lang leven doet. Vromans poëzie is mindful : oordeelloos, in het heden.

    Deze bundel is een oefening in laconiek sterven. Vromans schrijffrequentie is heel erg hoog: op sommige dagen schrijft hij drie gedichten. Als het lichamelijk minder gaat, is hij er soms een paar dagen uit. Zijn wereld is klein: het uitzicht vanuit een hoog gebouw, het weer, dat zijn de weinige impulsen van buiten die het tot in de gedichten redden. Veel van het werk gaat op een luchtige manier − slechts een heel enkele keer vermoed je een dichtgeschroefde keel − over het einde. Wat opvalt is een opmerkelijke afwezigheid van ‘verleden’. Op blz. 206 staat er dan zo een: de dichter sluit de lamellen en stelt zich het schemerlicht van de Indische middagen voor: ‘ik hoop dat Java nog zo is/ als het Java dat ik nog zo mis.’ Maar waarom zijn herinneringen in dit werk zo zeldzaam? Omdat je iets herinneren en ‘laconiek sterven’ niet verenigbaar zijn? Omdat een groot verleden én uitzicht op de dood altijd tot droefenis moet leiden? Dan valt bij lezing opeens op wat deze poëzie allemaal niet is: zij is niet zwaarmoedig, niet cultuurpessimistisch, niet herinnerend en toch diep.

    want ik heb wel verdriet
    maar ik voel het niet

    Voegt hij dan raadselachtig de lezer nog ergens toe.

    Dit

    Ik noem mijn boek meestal een stel gedichten
    maar deze keer doe ik dat niet,
    ik noem het een stel nieuwsberichten
    uit een onbekend gebied,
    een door bliksemlicht verlichte
    geschiedenis waar niets in geschiedt,

    een dagboek van lange nachten
    waarin de daden en de dingen
    van overdag nog even trachten
    de ware dromen en gedachten
    te verdringen,

    en ik leef nog in de wankelende waan
    dat dit alles beter is geweest
    dan ik het zelf heb kunnen maken.

    Laat mij maar slapende geloven aan
    een lieve bovenaardse geest
    en nooit ontwaken.

    Zeer dicht bij de dichter zelf is deze poëzie en daardoor soms ook wat klein. Het klinkt haast blasfemisch, maar je kunt er vraagtekens bij zetten of we alle pakweg 220 gedichten in deze bundel moeten hebben willen lezen. Maar het vreemde is dat je dat − eenmaal begonnen − toch doet. Omdat Die vleugels II veel meer is dan een dichtbundel, het is een verzameling afsluitende observaties van een leven, een verzameling waarin verbazing, liefde en lichtvoetigheid nog de boventoon kunnen voeren. En dat is mateloos intrigerend in een hoofd van 98 jaar: ‘slotakkoorden van mijn stoffelijk bestaan.’

    Vroman deed het weer: direct het papier van deze bundel zijn levende huid te laten zijn.

    Dinsdag, 20 augustus 2013

    Misschien ontplooit zich Wereldvrede
    niet als een mooi Donderslag
    of het hijsen van een Nieuwe Vlag,
    maar met kleinigheden:

    de krant is maar 1 pagina,
    het Nieuws is ochtendgymnastiek,
    iets over mussen, en daarna
    klassieke muziek,

    je moet opeens een vijand bellen
    die lang geleden
    is overleden

    en hem eindelijk vertellen
    dat haat, dat liefde, dat
    ja      wat

     

    UitgeverQuerido
    Jaartal2015
    RecensentMenno Hartman
    Editie2015-2