Recensies

  • De man die ophield te bestaan

    Ingmar Heytze
    De man die ophield te bestaan

    Het kind is een vergiet

    Ingmar Heytzes pen houdt al meer dan tien bundels lang die lichte, onderhoudende tred van iemand die met je meeloopt en je terloops heel mooie beelden en inzichten verschaft. Het entertainmentgehalte van zijn poëzie, door Heytze zelf benoemd in een interview met NRC, blijft onmiskenbaar. Maar er is langzaam een verandering in zijn stijl gaande: met de jaren is dat meelopen wat cynischer geworden.

    Doelwit van dat (sluimerende) cynisme is in De man die ophield te bestaan meestal de aanstaande vader. Onderwerp van deze bundel is vooral het nieuwe vaderschap, de waterscheiding die dat is en hoe daarmee om te gaan. Er zijn geen afdelingen: de indrukken, vragen en bemerkingen stromen in één lang chronologisch relaas. De eerste twee gedichten heten ‘Eerste echo’ en ‘Korte samenvatting van het voorafgaande’. Daarna meer gedichten met concrete titels als ‘Nekplooi’en ‘Laatste echo’: ‘Hierna zul je dicht zijn,/ overvol, van top tot teen/ gekleed inhuid.’ Die wisselen af met bespiegelende gedichten. Dat levert soms erg komische poëzie op, zoals in ‘Moe’:

    Ik had nog zoveel willen doen:
    van achter de vensterbank kijken
    hoe de wereld voorbijdraait.

    Pasjes hebben. Korting krijgen.
    Werken aan mijn mondweerstand.
    In plaats daarvan rijd ik al maanden

    met mijn wagen volgeladen
    in een driehoek van de kringloop
    langs de vuilstort naar de bouwmarkt.

    Heytze trekt ook andere registers open, van beschermend (‘Ik ben de laatste man tussen jou/ en de wereld. Alles moet ik stoppen/ voor het je kan raken.’) tot zelfbeklag, waarin de vader vast aankondigt weg te zullen gaan als hij ‘gekakel, luiers, de visite en de kraamhulp’ niet meer trekt, ‘want ik ben eigenlijk een heel groot wiel van steen’ – al zou hij toch zijn baby meenemen, ‘veilig in de holte waar een echte man zijn hart bewaart’.

    Hoogtepunt is het gedicht dat tussen zwangerschap en geboorte hangt: ‘Kom maar te laat’. In één gedicht, onder een gespannen onrust, ballen de emoties uit de hele bundel samen in de wens dat de dochter tegelijkertijd wel en niet geboren wordt.

    Onzekerheid over het vaderschap en liefde voor het kind strijden, gelijktijdig en afwisselend, om de aandacht. Er is soms radeloosheid over hoe het leven voort te zetten, en hoe de vaderrol in te vullen: ‘Mijn god • het kind • is een vergiet • aan alle kanten loopt het leeg • huilt in je oor • waarom bestaan als het zó moet • je houdt het • voor je uit’ – De hulpeloosheid wordt tragisch en grappig tegelijk.

    Dus is de vader soms ongecontroleerd boos, zoals wanneer een kunstenaar verliefd is op zijn vriendin: ‘Liefst sloeg ik zijn tanden door zijn strot’, waarna voorbeelden volgen van gestorven onbegrepen kunstenaars die verder niemand lastig vielen. ‘Waarom hij niet?’

    De man die ophield te bestaan is stijlvast, argeloos trefzeker, soms onbedaarlijk grappig en dan weer hart-op-de-tong tragisch. De bedrieglijk toegankelijke, bijna parlando stijl doet je geregeld vergeten dat je gedichten leest. In dat opzicht werkt de poëzie van Heytze welhaast als de beeldende kunst van Andy Warhol: hij maakt zijn kunstvorm zo transparant dat de kunstvorm zélf bijna wegvalt.

    En er is nog een overeenkomst: de nadrukkelijke wortels in populaire cultuur. Niet zozeer omdat Heytze o.a. Shel Silverstein en The Temptations citeert, maar omdat de bundel zich nadrukkelijk verhoudt tot, en verweeft met andere teksten, dichters en musici, als een collage met veel eigen en een beetje andermans inbreng.

    Als laatste een compliment voor de omslagfoto. Een man die een frame vasthoudt waarachter zijn gezicht onzichtbaar is gemaakt. Net zo raak als de bundel zelf.

    UitgeverPodium
    Jaartal2015
    RecensentRoel Weerheijm
    Editie2015-2