Recensies

  • Medeweten

    Antjie Krog
    Medeweten

    De grond behoort niemand toe

    Medeweten, de twaalfde bundel van Antjie Krog, opent met ‘Het erf’, een sterke reeks van dertien gedichten die een familiesage vertelt. Deze serie bestaat uit verhalen die dermate in de spreektaal zijn blijven steken, dat ze meeslepend raken en muzikaal. Vierkante haken en grote spaties kunnen daar geen afbreuk aan doen. Het erf is een ‘plek die nog altijd mijn gebeente kon breken tot taal’, een erf dat is vergeven van Bosjesmanverhalen. Krog verzamelt gesprekken, anekdoten, ‘praatjes van vóór de verkiezingen’. Ontroerend is het als ze daar haar ouders terugziet, hen op een drafje inhaalt en haar armen om hun schouders legt en met hen meeloopt ‘in het warme wezen/ van jullie knorrige geweten’.

    Antjie Krog, journaliste, strijder van het ANC en dochter van een nationalistische boer in Zuid-Afrika, schrijft: ‘de aarde behoort niemand toe en is gesmolten eeuwigheid’. In het gedicht ‘Mirakel’ stelt ze dat ze, hoewel ze niet gelooft in wonderen, wel gelooft in ‘een vreedzame bevrijding van mijn land’. Die vreedzaamheid staat in schril contrast met de realiteit: ‘onze begraafplaatsen blubberen van de verontachtzaamde/ geïnfecteerden de vermoorden de verkrachten de diepbedroefden’. Het gedicht krijgt een heel andere lading als het een vrije vertaling blijkt van een gedicht van haar Israëlische collega David Grossman.

    ‘Hoe ademt een mens te midden van al het geweld,’ vraagt Krog in de reeks ‘Vrouwe Justitia geblinddoekt’. Hoe leef je in ‘eerbaar evenwicht’? Tegenover die strijdbare en kernachtige kreten, waarin de toorn over haar verscheurde land nog onverminderd doorklinkt, is er ook een heel andere Antjie Krog aan het woord in deze bundel. Een wier gedichten op een soort sierlijk praten lijken. Over de mail krijgt ze een echo met wat ‘schraapseltjes licht die jou als wezenswaarachtigheid bevestigen’, of over het eten van een pruim die ze ‘psalm-plunderend promiscue’ noemt. Antjie Krog wordt wel het geweten van Zuid-Afrika genoemd. In Medeweten laat ze zich van haar menselijke kant zien. Ze heeft het enerzijds over ‘het onschendbare eens’, anderzijds over de impact die haar kleindochter op haar heeft. Nadeel in veel van de gevallen is dat het bij een omschrijving van die impact blijft en dat die niet door de taal zelf wordt opgeroepen, als is Krog nog steeds gewend die voor strijdbaarder lyriek aan te wenden. Een wending als ‘ik kan voelen/ hoe iets in mij open probeert te gaan dat zoekt naar hoe’ blijft vooral een zoekende constatering. Maar de bundel schommelt heen en weer: de reeks ‘Binnendwang’ (met citaat van Paul Celan) eindigt met een aangrijpend gedicht over een moeder die op de treinrails gaat zitten en de kinderen niet toestaat van haar schoot te gaan.

    Krog is terug op oorlogssterkte in de lange en meeslepende reeks ‘Bediendepraatjes’, waarin twaalf keer drie tekstblokken terugkomen: gedachten van de grondbezitter, een tekst in het Xhosa, en een vertaling daarvan die het wel en wee van de dienster vertelt. Geen van deze teksten heeft enige interpunctie, en die blijkt ook helemaal niet nodig: de taal is overal helder en de omstandigheden liegen er niet om. ‘oma heeft de nieuwe Zuid-Afrikaanse ziekte een gebroken hart en een grote bek’. Medeweten verspringt van idyllische en vaak evengoed bloederige herinneringen aan het Afrikaanse landleven, waarin ‘ooien hun zachte kutten naar de zon’ draaien, naar het leven in Berlijn, waar Krog tijdens het voltooien van deze bundel verblijft als stipendiaat van het Berliner Künstlerprogramm van DAAD. Ze bestudeert er Celan en Ingeborg Bachmann, wat tot niet altijd even leesbare traktaten leidt, en is vooral in veel gedichten aan het skypen, whatsappen en sms-en met familieleden in het thuisland. Daar tussendoor komt ze weer kernachtig terug tot haar stiel, geladen teksten in klare taal: ‘zoals de lucht behoort de grond niemand toe’.

    ‘Als ik doodga’ is een mooi gedicht waarin ze vraagt niet te diep begraven te worden en of men op haar graf een boom wil planten, waarvan de wortels haar kist ‘als een kankergezwel’ zullen omvatten en waarin haar lichaam langzaam opgaat tot hij bij een weidebrand in de hens vliegt en de dichter opdwarrelend stukjes van zichzelf in de lucht tegenkomt. Er is een aangrijpend portret waarin haar moeder onder haar wegglijdt en ineenschrompelt en de dochter haar ‘wrekend geworpen brokken woede’ niet meer terug kan vinden. En er is een klaaglied voor de gestorven Mandela, ‘we willen het niet zien/ we willen zijn dood-zijn niet zien’, waarin ze ‘de man die ons redde van onszelf’ niet kan laten gaan. Een loflied voor de man ‘die de assegaaien van de wraakzuchtigen heeft geknakt’ en waar ze al zingend afscheid van neemt: ‘jij was ons beste gezicht’.

    Antjie Krog is een innemende, gulle, nieuwsgierige en levenslustige dichter. Op fantastische wijze weet ze verhalen na te vertellen en die kernachtig te verdichten. Maar een representatieve keuze uit haar werk biedt Medeweten niet, niet elk gedicht had hoeven worden opgenomen.

    UitgeverPodium
    Jaartal2015
    RecensentErik Lindner
    Editie2015-2